>Goed onderwijs, goed bestuur, slechte neveneffecten

>Het beste moment om iets te veranderen in het onderwijs is de zomerperiode. Dan weet je zeker dat ‘het veld’ maar één prioriteit heeft, en dat is: vakantie. Niet voor niets viel de commotie rond de bezuiniging op lerarensalarissen, eind juli, al snel dood neer. Actie voeren prima, maar eerst naar Frankrijk, zo leek de gedachte. Benieuwd hoe groot de actiebereidheid nu nog is.

Een andere, veel ingrijpender verandering, vond plaats op 1 augustus. Toen is de wet “Goed bestuur, goed onderwijs” van kracht geworden. De wet kent een lange voorbereidingsgeschiedenis, die vooral gericht was op de bestuurlijke vormgeving van onderwijsinstellingen. Veel minder bekend echter zijn de minimumeisen voor het resultaat die met deze wet aan de scholen gesteld kunnen worden, terwijl die de ware revolutie vormen.

Tot nu toe was het de grondwettelijke taak van de overheid op de ‘deugdelijkheid’ van het onderwijs toe te zien. Wat die deugdelijkheid dan was, en tot welke resultaten die zou moeten leiden, dat werd tot nu toe overgelaten aan de scholen zelf, in samenspraak met de inspectie. Dat leverde tot nu toe weinig problemen op: afgezien van het speciaal onderwijs krijgt 90% van de leerlingen onderwijs van acceptabel tot excellent niveau.
Toch heeft de overheid gemeend expliciet kwaliteitseisen voor alle scholen te moeten formuleren. Die richten zich met name op de harde cijfers van de resultaten: doorstroomcijfers en eindexamenresultaten. Niets mis mee, zou je kunnen zeggen: alleen maar goed dat scholen zich bewust zijn van de noodzaak goede prestaties te leveren.
Dat is waar, maar het risico is dat die vrij beperkte indicatoren nu een doel op zich gaan worden. Scholen die hun doorstroomcijfers op orde willen houden, zullen nog strenger worden in het toelaten van leerlingen ‘met een vlekje’. Herkansingen voor leerlingen die wat later op gang komen, zullen schaarser worden.
En hoewel alleen een paar indicatoren als bindend voor het overheidstoezicht worden benoemd, zal de inspectie makkelijker het navolgen van de rest van het inspectiekader kunnen afdwingen. Dat betekent veel papierwerk: plannen, kwaliteitszorg, dossiers, verslagen, die allemaal door de inspectie kunnen worden afgedwongen, met de stok van de bekostiging achter de deur. De overheid kan zich hierdoor veel meer met het ‘hoe’ van het onderwijs gaan bemoeien, dan Dijsselbloem ooit voor mogelijk had gehouden. Het is de vraag of we dat moeten willen: in plaats van meer ruimte en verantwoordelijkheid voor scholen, en vooral de leraren die er werken, perkt de overheid hiermee de ruimte in.

De komende tijd zal moeten uitwijzen of en in hoeverre de inspectie daadwerkelijk van haar nieuwe bevoegdheden gebruik gaat maken. Tot die tijd is het aan scholen om te laten zien dat ze nog veel meer doet dan diploma’s produceren, en dat ze de verantwoording over hun resultaten heel goed in eigen hand kunnen nemen.

         

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.