>Beste jongens en meisjes…

>De Besturenraad, doorgaans niet een club die ondoordachte plannen de wereld inslingert, liet vandaag een proefballonnetje op dat dankzij de eerste schooldag, gebrek aan rampen elders in de wereld, en een kennelijke zonnesteek van Van Bijsterveldt groot nieuws werd. Jongens en meisjes verschillen. Wauw. Nee echt. En wel zodanig dat de hersens van jongens later ‘rijp zijn’ dan meisjes. Tjonge. En dan moet het wel een goed idee zijn om jongens en meisjes te scheiden, om ze het onderwijs te geven dat aansluit bij die verschillen in rijping. Van Bijsterveldt vond deze redenering zo overtuigend dat ze bereid is hier onderzoek naar te doen.

Het lijkt ook zo aantrekkelijk, maar toch vind ik het een slecht idee. Leraren hebben namelijk niet te maken met jongens en meisjes in het algemeen, maar altijd met individuen. Déze jongen en dít meisje in deze klas, met deze ouders, die vrienden, deze geschiedenis in het onderwijs, enzovoort.

Als je leerlingen het onderwijs wilt geven dat het best bij hun behoefte aansluit, dan zijn er wel wat belangrijker factoren op te noemen die het schoolresultaat behalen. In de eerste plaats is dat de sociaal-economische achtergrond, meer bepaald het opleidingsniveau van de ouders. Hoe hoger de ouders opgeleid zijn, hoe meer kans op succes. Daarvoor bestaan wegingsfactoren, waar overigens flink op bezuinigd is. Dit effect geldt in Nederland des te sterker, omdat we de leerlingen al heel vroeg selecteren en doorstromen en overstappen steeds moeilijker maken. In de tweede plaats is dat de kwaliteit van de leraar. Studie na studie blijkt dat alle tussenschoolse effecten op onderwijskwaliteit verdwijnen als je de kwaliteit van individuele leraren meeneemt. In Los Angeles wordt geëxperimenteerd met een breed beoordelingssysteem voor de kwaliteit van leraren, die ook feedback van leerlingen en collega’s in beschouwing neemt. Zomaar twee thema’s waar meer effect, voor alle leerlingen, van te verwachten valt dan van experimenten voor alleen jongens.

Bovendien, ieder gemiddelde kent een verdeling. Niet alle jongens hebben tegelijk ‘rijpe hersenen’, daar zitten verschillen in. Laten we aannemen dat de standaarddeviatie 1 jaar is. Dat betekent dat het voor ongeveer tweederde van de jongens verstandig is om een aangepaste les te geven. Maar voor eenderde van de jongens niet! Net zo goed geldt dat voor eenderde van de meisjes. Eenzesde van zowel jongens (de snelste) en meisjes (de langzaamste), dus eenderde van alle leerlingen, krijgen tegelijk rijpe hersenen. Dus voor eenderde van de klas is het normale lesprogramma verstandig, voor eenderde een vertraagd (of juist versneld), en voor eenderde (de snelste meisjes en de langzaamste jongens) helpt het nog allemaal niets als je dit ‘blind’ zou doorvoeren.

Dat laatste zal de Besturenraad ook wel niet bedoeld hebben. Maar dat betekent dat je per geval moet gaan kijken: welk onderwijs is het beste voor deze leerling? En dat heeft niets te maken met jongen of meisje zijn, of in ieder geval: niet alléén daarmee. Het heeft vooral te maken met zoiets als ‘pedagogische sensitiviteit‘, ofwel de capaciteit van de leraar om te kunnen snappen, uit alle informatie en signalen die hij over de leerling ontvangt, welk vlees hij of zij in de kuip heeft. En vervolgens met de tijd nodig, ruimte, en de flexibiliteit die de leraar heeft om het onderwijs te geven dat die leerling nodig heeft.

Van Bijsterveldt weet nog niet welke doos van Pandora ze gaat opentrekken met dit onderzoek. Het zou wel eens zo kunnen zijn dat blijkt dat íeder kind baat heeft bij onderwijs dat aansluit op haar behoeften, affiniteiten, talenten en ontwikkelingsfase. Maar dan praat je over een fundamenteel andere benadering van ons onderwijs. Zou dit dan de eerste stap zijn?

Ter inspiratie nog maar eens het animatiefilmpje van de lezing Ken Robinson over wat er volgens hém zou moeten veranderen aan ons onderwijs.

http://www.youtube.com/watch?v=zDZFcDGpL4U

         

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.