Inspirerende excellentie

Minister Marja van Bijsterveldt opende gisteren het schooljaar in mijn eigen stad Nijmegen. Dat deed ze door een Skype-gesprek met André Kuipers, de Nederlandse astronaut die zich voorbereid op een nieuw ruimteavontuur. Dat gesprek was bedoeld om meer aandacht te vragen voor excellentie in het onderwijs. Want, zo sprak de minister, ‘excellentie inspireert en stimuleert’. En ook de vermaledijde zesjescultuur kwam weer langs, want die past helemaal niet bij Nederland, volgens de minister. Kortom, we gaan er een punt achter zetten, de lat moet omhoog, en de eisen worden verscherpt.

Hoewel ik haar pleidooi ondersteun (wie zou er tegen meer excellentie kunnen zijn), denk ik het ‘hoger leggen van de lat’ niet zo makkelijk de gewenste inspiratie gaat brengen. Volgens Van Bijsterveldt profiteren alle leerlingen van meer aandacht voor excellentie. Dat is misschien zo, maar dat gaat niet vanzelf. Net zoals wij alleen met verbazing en bewondering kunnen kijken hoe een polsstokspringer spot met de zwaartekracht, zo kunnen minder begaafde kinderen vaak alleen met verbazing en bewondering kijken naar hun Einstein-achtige klasgenootjes. Perfectie en excellentie wekken net zo vaak afgunst en desinteresse op als inspiratie en uitdaging. Wil je goede en zwakke leerlingen van elkaar laten profiteren, dan luistert dat nauw in de samenwerking.

Meer aandacht voor excellentie gaat net zoveel over uitwisselen en samenwerken, als over hogere latten en strengere eisen. Iets soortgelijks geldt voor de excellentie van leraren. Want wil je excellente leerlingen, dan zul je eerst en vooral heel goede leraren moeten hebben. Maar de vraag is: wat is een excellente leraar?

In 2004 vroeg de directeur van de ICA, een faculteit van de HAN aan mij om daarover een boekje te maken. Zij wilde bereiken dat de beste docenten van hun faculteit hun tips zouden geven aan de minder goede docenten. Aan mij de vraag of ik die ‘beste docenten’ wilde interviewen en dan hun tips in een boekje wilde bundelen. Dat deed ik, maar ik maakte er een ander boekje van. Ik vroeg om willekeurig 10 heel diverse leraren die ik zou kunnen interviewen. Oud, jong, man, vrouw, vernieuwend en misschien ook wel ouderwets. Die portretteerde ik in het boekje ‘Passie is besmettelijk‘.  Dat boekje werd een succes, omdat andere docenten konden zien dat het ging over leraren van vlees en bloed. Met goede, maar misschien ook wel slechte eigenschappen. Wat ze deelden was passie voor lesgeven. Daar herkenden alle docenten zich in.

De kunst is om leraren niet langs de meetlat te leggen, maar met elkaar in gesprek te laten komen over hun passie, en hoe die leidt tot resultaten bij leerlingen. Dat is een lastig gesprek, want resultaten zijn niet eenduidig. We hebben in het onderwijs niet één simpele lat, zoals op de atletiekbaan, maar wel 10 verschillende latten. We hebben dus mensen nodig (leraren, leiders, ministers) die in staat zijn om dat ingewikkelde gesprek te voeren, en dan pas de criteria op te stellen. Ik hoop dat de minister zich dat gisteren ook realiseerde.

Want André Kuipers is vast geen astronaut geworden, omdat hij op het atheneum zo achter zijn broek werd gezeten om zijn huiswerk. Natuurlijk, hij deed vast zijn best, en heeft uiteraard de capaciteiten. En hij had, net als veel jongetjes, een droom, een passie: astronaut worden. Toevallig heeft hij in zijn leven de mensen ontmoet die die passie zijn blijven voeden. Laten we onze leerlingen vooral ook dat soort ontmoetingen geven, zodat ze ieder hun eigen lat gaan ontdekken. En niet voortdurend tegen de onbereikbare latten aanhikken die anderen daar voor hun hebben neergelegd. Dan wordt het misschien wat met de excellentie in Nederland.

         

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.