Opbrengstgericht werken en ruimte voor de leraar

Vorige week verscheen een rapport van het Sociaal Cultureel Planbureau over de impact van het overheidsbeleid van de afgelopen jaren, dat sterk de nadruk legt op het verbeteren van prestaties van leerlingen op rekenen en taal. De algemene teneur van het rapport is dat leraren en schoolleiders zich weliswaar afvragen of die nadruk niet te ver doorschiet, maar dat geen reden is om de nu weer te stoppen met ‘opbrengstgericht werken.’ Naar mijn mening wordt door het SCP te luchtig over de negatieve bijeffecten van dit beleid heengestapt.

Die bijeffecten zijn te verdelen in twee aspecten: het fenomeen dat toetsen een doel in zichzelf worden; en in de tweede plaats dat het de ruimte die leraren hebben om hun werk op langere termijn te verbeteren, teniet doet.

In de eerste plaats het toetsprobleem. Sinds de veranderde wetgeving over onderwijsbestuur van vorig jaar kunnen slechte toetsscores zware consequenties hebben. Besturen worden nu rechtstreeks aangesproken op resultaten en de minister kan in het ergste geval een school sluiten. Dergelijke zware gevolgen kunnen ertoe leiden dat goede resultaten, met name op de kernvakken, een doel op zichzelf worden. Dat daarvoor ook naar oneigenlijke middelen gegrepen kan worden, blijkt uit de berichten die uit de VS blijven komen, over fraude op uitgebreide schaal met de toetsen in het kader van de ‘No Child Left Behind’-wet. Een weinig aantrekkelijk perspectief, hoezeer Van Bijsterveldt ook argumenteert dat zoiets in Nederland niet zal voorkomen.

In de tweede plaats, bestaat het risico de nadruk op toetsen op vooral cognitief resultaat op langere termijn tot negatieve effecten bij leraren zal leiden, omdat het uitgaat van een te beperkte opvatting van hun beroep. Leraren ontlenen hun beroepsidentiteit voornamelijk aan het stimuleren van de ontwikkeling van hun leerlingen in brede zin, niet alleen op prestaties op taal en rekenen. De druk van de cijfers is de laatste jaren echter zo groot geworden, dat sommige leraren vervreemd zijn geraakt van hun werk. In plaats van dat er cijfers gebruikt worden om te meten wat belangrijk is, lijkt het wel of alleen dat nog belangrijk is, wat met cijfers gemeten kan worden.

Onlangs sprak ik een leraar die lesgeeft aan lwoo-leerlingen in het voortgezet onderwijs. Dat zijn de leerlingen die, zoals hij zei, ‘niet anders weten dan dat ze de slechtste van de klas zijn’. Om die leerlingen voor te bereiden op de maatschappij, wil hij ze vooral vertrouwen meegeven. Resultaten op taal en rekenen zijn voor hem een opstap naar dat vertrouwen, en niet andersom. Doordat resultaten op taal en rekenen nu de alfa en omega van de onderwijskwaliteit lijken te zijn, merkt hij dat zijn werk minder leuk wordt, omdat het alleen nog maar daarover mag gaan en niet over het hogere doel dat daarachter ligt.

Natuurlijk moeten scholen (en leraren) worden aangesproken op hun resultaten. Dat willen de meeste leraren ook. Ze willen alleen daarbij ook het gesprek houden over wat ‘excellentie’ nog meer is dan alleen PISA-rankings en Cito-toetsen. Als we ‘goed onderwijs’ simplificeren tot dergelijke smalle maatstaven, ontnemen we leraren de ruimte om hun zelf de verantwoordelijkheid te laten nemen voor de resultaten die ze behalen.

Want als wij tegen leraren zeggen: zorg nou maar voor een gemiddelde Cito-score boven de 535 in je klas, dan zit het wel goed, is het dan raar dat een leraar ermee stopt om z’n tijd te steken in dat kunstproject, die musical, dat leuke schoolmoestuintje? Is het dan vreemd dat die leraar dan na verloop van tijd de lol in zijn vak verliest? En hoe aantrekkelijk is dat beroepsperspectief voor de ‘best and brightest’ die van het vwo komen? Wordt de leraar dan niet een eenvoudige ‘lesboer’ die zich zo aan alle kwaliteitsprotocollen houdt, maar van wie je verder geen initiatief moet verwachten?

De kunst is om cijfers niet onbelangrijk te vinden, maar ze te zien als middel, als startpunt voor het voeren van de dialoog over de eigenlijke resultaten waar ze een afspiegeling van zijn. Door meer eigen ruimte te creëren voor resultaten die leraren zelf formuleren, én tegelijk om verantwoording op die resultaten te vragen, gaan de achterliggende waarden van waaruit leraren hun werk doen weer meer een rol spelen. Resultaten op rekenen en taal vormen daar ongetwijfeld een onderdeel van. Maar doordat leraren die zelf formuleren, ontstaat er veel meer verbondenheid en eigenaarschap van leraren met betrekking tot hun werk. Die verbondenheid van leraren hebben we maar al te hard nodig, om ervoor te zorgen dat ons onderwijs niet alleen nu, maar ook in de toekomst alle talenten van onze kinderen helpt ontwikkelen.

         

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.