Epiloog: waarden, identiteit en vrijheid

De afgelopen dagen heb ik een serie artikelen gepubliceerd over het stimuleren van eigenaarschap bij leraren. Dit was naar aanleiding van een workshop die ik gegeven heb voor Achterhoek VO, een scholengroep in (de naam zegt het al) de Achterhoek. Ik had kritisch publiek, die mijn aanpak wel interessant vond, maar toch nog wel drempels zag om dit in de praktijk toe te passen.

Erover doorpratend met de schoolleiders in mijn workshop merkte ik dat veel van de drempels die ze zien, te maken hebben met de enorme druk van buitenaf. Met name de inspectie die scherp let op een beperkte aantal indicatoren (examencijfers, rendement) en een paar wettelijke regelingen (onderwijstijd, referentieniveaus) zorgen voor de grootste druk. Plus natuurlijk de financiële kaders, die op veel scholen ervoor zorgen dat leraren eerder meer, dan minder lessen gaan geven en ze dus nog minder tijd over houden voor persoonlijke- en onderwijsontwikkeling.

De kunst is om de belemmeringen die je ervaart van buitenaf, te zien als kaders voor de middelen die je als school hebt. Dat heb ik besproken in pijler 2. Binnen die kaders zul je nog steeds doelen moeten formuleren (pijler 1). Het is belangrijk om dat te blijven doen, omdat leraren (terecht) niet gemotiveerd raken van een doelstelling als: het schoolexamencijfer moet binnen een halve punt van het centraal examencijfer blijven. Leraren willen wel nadenken over een doel als: ‘Leerlingen hebben voldoende cognitieve bagage om succesvol het vervolgonderwijs in te gaan.’ Hoe kun je daar vervolgens invulling aan geven? Als je daarover doorpraat als leraar, is het onvermijdelijk dat je ook gaat praten over de schoolexamens als indicator voor die cognitieve bagage. Het inspectiekader is nog steeds relevant, maar niet meer als doel op zich.

Er is nog een ander aspect aan de middelenkeuze. De manier waarop je resultaat met leerlingen wilt bereiken, kan op verschillende manieren gebeuren. Naast cognitieve resultaten, wil je ook pedagogische resultaten bereiken: het beruchte ‘vormingsaspect’. Voor sommige scholen is het meer vanzelfsprekend om hier aandacht aan te besteden dan andere. Christelijke scholen willen bijbelse waarden overbrengen. Montessorischolen werken aan zelfstandigheid en eigen verantwoordelijkheid. Vrijescholen richten zich op de  ontplooiing van de volledige persoonlijkheid.

Maar ook scholen die niet een specifiek ‘stickertje’ hebben, of dat ene stickertje er nu juist af proberen te peuteren, willen een bepaalde levenshouding overbrengen. Iedere school kent een bepaalde cultuur, een manier van omgaan, die verwijst naar dieper gelegen waarden, naar de manier waarop mensen met elkaar omgaan en hoe je zou willen dat leerlingen in het leven staan. Dat geheel kun je de identiteit van de school noemen.

Die identiteit biedt aan de ene kant een bron voor het formuleren van ruimere doelstellingen dan alleen de cognitieve resultaten. En aan de andere kant geven ze een kader aan, voor het handelen van iedereen in de school. Je kunt je de vraag stellen: welke waarden willen we niet verkwanselen in onze school? Wat betekent dat voor manieren van werken die we niet acceptabel achten, zelfs als ze worden toegepast op andere scholen?

Dat is een moeilijk gesprek, vooral als dat lang niet gevoerd is. Dan kan blijken dat er in de loop van de tijd onbewust verschillende inzichten over zijn ontstaan. Maar door iedere keer, vanuit concrete doelen, en vastgelegde kaders, de dialoog aan te gaan, worden zo aan oude waarden opnieuw inhoud gegeven. Daarmee ontwikkelt de school een sterke identiteit, waarmee ze zich duidelijker kan presenteren naar de buitenwereld. En zich ook vrij kan voelen om af te wijken van de soms onredelijke eisen die die buitenwereld aan scholen stelt. Zoals acteur Huub Stapel onlangs zei in een interview met Wilfried de Jong: ‘Pas als je weet waar je vandaan komt, kun je werkelijk vrij zijn.’

         

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.