Parijs-Roubaix

Geen metaforen te vinden in dit stuk, over onderwijs of leidinggeven. Alleen wielrennen, niets dan wielrennen. En een lang stuk ook, dus weet waar je aan begint…

De start

De wekker gaat om 5:15u in onze Franse gîte met de toepasselijke naam ‘La cour pavé’. Het is nog donker. Zonder veel woorden kleden we ons aan en doorlopen we de rituelen van de ochtend voor een tocht. Kleding laag voor laag aan, zorgvuldig uitgekozen. Niet dat dikkere winter-ondershirt, maar twee dunnere, één met korte mouwen. Nu is het nog iets onder nul buiten, maar straks met de zon erbij, moet het ook niet te warm zijn. Wel winterhandschoenen, lange vingers, ook verstandig in het geval van een eventuele valpartij. Ieder onze eigen voeding. Voor mij Brinta, muesli, volkorenboterhammen met honing. Geen high-tech, maar volgens Henk Lubberding moet je eten waar je maag aan gewend is, dan worden voedingsstoffen het efficiëntst opgenomen. En ik geloof Henk blindelings. Twee koppen thee. Eén kop koffie, voor de caffeïne. Rugnummer opspelden.

De fietsen hebben binnengestaan vannacht. Ik voel aan de banden: 5,5 bar. Dat voelt toch te hard. Ik heb lang getwijfeld over de juiste spanning. Twee weken geleden, in Dwars door Vlaanderen, reed ik met 6 bar. Dat was te veel. Op de kasseien van de Haaghoek liep het niet lekker. Dus nu minder. Maar hoeveel? Ik laat wat lucht eruit, tot 4,5 bar. Weinig, maar als lichtgewicht kan ik het hebben, denk ik.

Terwijl de lucht in het oosten van zwart naar donkerblauw kleurt, rijden we naar Saint-Quentin. Het stadje is om 7 uur ‘s ochtends een en al bedrijvigheid. Overal staan auto’s waar fietsen uit- en afgeladen worden. Helmen en brillen worden opgezet, jasjes aangedaan. Repen in achterzakken gedaan. Gendarmes op offroad-motoren knetteren door de straten. Anderen houden, zonnebril al op, kruispunten vrij. Ik controleer voor het laatst mijn banden en besluit ze op te pompen tot 5 bar. Dezelfde waarde als Servais Knaven, toen hij won, in 2001.

In de kou van de opgaande zon wachten we op de start. Opzwepende muziek klinkt uit de luidsprekers langs het doodstille park. Franse dames in peignor kijken toe vanachter de ramen van hun huizen. Langs de kant alleen wat vrouwen en kinderen, hier en daar een laatste omhelzing, nog een foto. En dan zijn we weg.

 

De aanloop

Van begin af ligt het tempo hoog, boven de 35 kilometer per uur. We rijden onder politiebegeleiding over brede Franse D-wegen, die recht over de lange glooiingen van het Noordfranse land zijn gelegd. Achterin het peloton is niet veel te merken van de koude bries die we tegen hebben. Maar zodra de weg maar een beetje omhoog loopt, staat de achterdeur wijd open en vallen er al renners af, de een na de ander.

Met een paar flinke inspanningen, waarvan ik hoop dat ze niet te groot zijn, lukt het me de aansluiting te houden. Af en toe, in de dalende stukken, maak ik dankbaar gebruik van het brede achterwerk van een volkomen in het wit gestoken Duitser. Die klimt ook niet zo snel, maar ontwikkelt een fenomenaal tempo zodra het weer naar beneden gaat.

We passeren stille Franse plaatsjes, waarvan niet duidelijk is of de bewoners nog slapen, of voorgoed vertrokken zijn. En dan, vrij plotseling, na wat links-rechts-bochten in een van de desolate dorpen, is daar de eerste kasseistrook. Direct is het oorlog. Bidons knallen uit hun houders, rollen stuiterend over hobbelig plaveisel. Renners zoeken naar hun positie, verplaatsen vruchteloos hun handen uit de beugels naar bovenop het stuur of andersom. Sommigen kijken hulpeloos, ja radeloos om zich heen, hun benen vallen stil: wat is dít!?

Ik dokker over het midden van het weggetje. De stroken langs de kant laat ik aan anderen. Ik passeer anderen links en rechts, tot ik vooraan de groep ben, en zelf mijn ideale lijn kan kiezen. Alles schudt en rammelt. Mijn armen en benen klapperen en trillen. Niet verkrampen denk ik, en leg mijn handen losser om mijn stuur. Niet te zwaar trappen, soepel blijven rondgaan op het grote blad, zodat ik bij de zwaarste stukken, onverwacht dienen ze zich aan, bij kan trappen om erover heen te zweven. In zekere zin kan ik genieten van dit spel.

 

Naar het bos

Dan is de eerste strook alweer voorbij. Ik kijk om: wat losse renners in de verte. Voor me ook wat losse trosjes fietsers. Ik herken er geen. Mijn Duitser is nergens meer te zien. Wonderlijk hoe dat grote peloton van net in zo’n korte tijd volkomen uit elkaar heeft kunnen vallen. Ik laat mijn hartslag wat zakken na de inspanning op de ruwe stenen. Al snel komen er wat renners achterop en kan ik aanpikken. Dat wordt mijn tactiek van de dag, besluit ik: flink doorfietsen op de kasseien, en me daarna weer laten opvegen door een groepje om geen energie te verspillen op de tussenstukken.

Het blijkt een goede tactiek. Zonder al teveel extra inspanning kom ik de eerste vijf, zes kasseistroken door. Na iedere strook vind ik aansluiting bij twee, drie renners, waarna bijna ongemerkt de groep aangroeit tot tien, vijftien, soms twintig man. Het wordt bijna gewoon, de afwisseling van ruw Frans asfalt met middeleeuws plaveisel, boerenkarrenpaden waar zelfs de monsterachtig grote Franse trekkers behoedzaam overheen gaan.

Maar toch niet zo gewoon, dat ik weet dat er nog één kasseistrook komt die we moeten vrezen. Mythische verhalen gaan er rond over de Drève des Boules d’Herin, ook wel Trouée d’Arenberg, het bosweggetje tussen Arenberg en Grand Bray, waar het hele jaar het mos zijn gang kan gaan, tot het tijd is voor Parijs-Roubaix. Daar liggen de kasseien pas echt slecht. Iedere wielrenner vreest die strook, waar al vele reputaties zijn geknakt als botten in een wielerlijf.

Hoe ver is het nog? Nog drie, of vijf, of tien kilometer? Ik speur naar aanwijzingen langs de kant. Plaatsnaambordjes die ik hoop te kennen van tv. De anderen lijken ook te beseffen dat we er bijna zijn. De weinige woorden die gewisseld worden, vallen nu ook stil. Er wordt nog snel een reep gegeten, een gel leeggeknepen, een paar slokken uit een bidon. Ik trek mijn kleding recht en pieker. Zou ik het wel aankunnen? Heb ik wel genoeg getraind? Had ik wel moeten gaan schaatsen, toen er ijs was, en niet beter kunnen doorfietsen? Tot nu toe ging het wel, maar hoe erg is het bos? Ik heb scheve kasseien gezien, verzakkingen in de weg, brede kieren tussen de stenen waar het gras welig tierde. Ongelijke stenen, verschillende soorten door elkaar, waar stukken gerepareerd zijn. Gevaarlijke gaten in de weg, waar een kassei miste, buitgemaakt misschien door een souvenirjagende toerist. Wat kan daar in het bos nog bijkomen aan ellende?

Ik probeer ongemerkt wat naar voren te schuiven in de groep. Net als de profs, in het bos vooraan zitten, niet het slachtoffer worden van een val van een onfortuinlijke collega-wielertoerist. In ieder geval voor die Duitser blijven, die weer is komen aansluiten in mijn groep, zijn witte outfit ondertussen een stuk groezeliger. Een gendarme wijst me vanaf zijn motor terecht, als ik een vluchtheuvel links wil passeren. Ik wring me weer naar rechts, tussen de andere renners, de stille verwensingen negerend van de degenen die voor me moeten remmen.

 

Arenberg

Een rotonde met een bord: Wallers-Arenberg. M’n hart springt over: dit is het dan, nu moet het gebeuren. Een paar bochten en dan een bekende straat. Een eenzaam rijtje gestucte huizen rechts, enkele geknotte platanen links, ik ken dit beeld zo goed. Nu moeten we zo ook… ja! Daar, de loopbrug boven de bomen, daar begint het bos! Dit is het stuk van de waarheid. Ik zit te ver naar achteren, en probeer nog een paar plaatsen te winnen, wat niet lukt.

De laatste meters asfalt en dan barst het los: we zijn in het bos! Onmiddellijk wordt er gedemarreerd. Althans, zo lijkt het, toch gaan we eerder trager. Maar de weerstand van de brokken graniet waar onze wielen overheen denderen is zo gigantisch, dat alleen met een verbeten, uiterste inspanning we enige snelheid kunnen houden.

Geen steen ligt recht, het cliché is waar. Alsof een bataljon Fransen onder Napeleon III niet zozeer slordig en onnauwkeurig de keien in de grond heeft gesmeten, nee, het is alsof ze met mathematische precisie iedere steen zo onvoordelig mogelijk ten opzichte van de anderen hebben gelegd. Hier moet over nagedacht zijn, berekeningen gemaakt, om de weerstand maximaal te maken. Een valstrik, een middeleeuwse boobytrap, om de oprukkende vijand te verleiden de snelle, rechte weg door het bos te nemen, waarna deze zich zou vastlopen op het granieten wasbord van de scheve stenen.

Voor me zie ik renners het modderpaadje links op schieten. Rechts lonkt het wandelpad, onbereikbaar door een afzetting met lint. Ik geef toe aan de verleiding en buig naar links. Maar de modder zuigt, ik hotsebos door kuilen, moet alsnog opletten voor de scherpe randen van een verdwaalde steen en verlies mijn ritme. Ik spreek mijn laatste krachten aan en stuur naar rechts, terug de kasseien op, alle alarmsignalen van mijn lijf negerend. Snelheid houden! Kracht zetten! Ik moet verder! Mijn bovenbenen schudden op en neer, mijn armen klapperen heen en weer. Ik passeer fietsers, die kleiner schakelden, hun snelheid verloren en nu ronddobberen als een roeiboot op een oceaan. Dat mag mij niet overkomen, dus nog eens zet ik aan.

Onbegrijpelijk waar ik dit vandaan haal. Vorig jaar, Mont Ventoux, een sprint bergop. Nog even alles willen geven, vlak onder de top, na anderhalf uur klimmen, mijn hartslag maximaal. Kramp schoot van mijn tenen naar mijn kruin en bijna smakte ik daar tegen de grond. Nu, hier in Wallers is mijn hartslag niet af te lezen door het gestuiter, en kramp krijgt geen kans op dit ontaarde wegdek. Er is geen keuze, ik moet door. Ik ga door, ondanks mezelf, het is aan iedere gedachte of keuze voorbij.

En dan, even plotseling als hij begon, is de strook ten einde. Kramp slaat alsnog toe en ik moet even naar de kant en van mijn fiets. Wat drinken, mijn benen strekken. Van de nood maak ik een deugd en kijk terug het bos in, naar de ploeterende medefietsers, die stuk voor stuk hun lijdensweg nog afleggen. Waarom is dit leuk? Waarom doet een mens zichzelf dit aan? Er is geen antwoord en ik hijs mezelf weer op mijn fiets.

 

Het vélodrome

Na het bos moeten er ook kasseistroken geweest zijn, maar de herinnering is vaag. Ja, de Carrefour de l’Arbre, daar lagen ook wat stenen scheef. Maar mijn hemel, het was niets vergeleken met het bos. Mijn krachten keerden al snel na het bos weer terug, de euforie over de prestatie waarmee ik mezelf verbaasde, deed de rest. Ik vloog over de kasseien, voelde me sterk zoals Van Summeren zich gevoeld moet hebben toen hij ging winnen. Ik herinner me ook meer publiek, dat gedeelte van de koers, vlaggen langs de kant, hier en daar een strooien pop en zelfs, in één dorp, een schetterend muziekkorps.

Maar nog voor Roubaix is de pijp wel leeg. Ik ben toch te hard gegaan, en heb de lengte van de koers onderschat. Het groepje waarin ik zit, glijdt langzaam van me weg en als de weg dan ook nog licht omhoog gaat, wil ik terugschakelen. Ik berust, zo ver is het niet meer. Totdat er een witte schim voorbijschuift: daar is die Duitser weer. Dat laat ik me niet gebeuren. Een laatste keer de tanden op elkaar, een laatste keer op de pedalen staan, ik zet aan en sleur mezelf naar zijn achterwiel.

Waar haalt hij dit vandaan? Na 150 kilometer geeft de teller nog strak 39 aan. In zijn wiel zie ik mijn hartslag weer boven verzuringswaarden komen. Het menselijk lichaam is een wonderlijk systeem. Waar haal ik deze extra energie vandaan? Zijn mijn benen dan al niet geheel gevuld met melkzuur? Maar ze blijven draaien, als een autonoom systeem, de rest van mijn lijf is allang afgehaakt en kijkt ademloos toe.

Dan, daar, even naar links, de laatste strook. Echt kasseien zijn het niet, 300 meter kort. Het is een kleine knipoog van de streek, een laatste aai over je wang van de bokser die je net alle hoeken van de ring heeft laten zien. Dan draait het parcours scherp naar rechts, richting vélodrome. Een bocht naar links, weer naar rechts, hekken, borden, publiek. Ik volg de letters COUREURS die op het asfalt geschilderd zijn, en voor ik het weet is het zo ver. Een poort, de baan, gras in het midden. Ik draai de baan op, kippenvel. Hoor het gejuich van het publiek! Het opgewonden geroep van de microfonist! Zo moet dat voelen als je solo hier arriveert.

In mijn geval komt het lawaai van de honderden fietsers op het middenterrein die voor me gefinisht zijn, maar dat deert me niet. Ik rijd langzaam de halve ronde die ons gegund is, steek onbeschaamd mijn handen in de lucht als ik de streep passeer. Nee, dat waren geen tranen, het was wat zweet dat ik wegveegde bij mijn ogen. Het gevoel is groots: ik heb het gered. Ik heb het gedaan. Ik heb het gevoeld. De kasseien bedwongen, een jongensdroom in het echt beleefd vandaag. Het enige probleem nu: welke ervaring, welke tocht, kan hier nu nog tegenop? Wat is fietsen nog, na Roubaix?

foto: Tjalle Wassink

Op 1 april 2012 fietste ik samen met een vriend, en mijn broer als ‘directeur sportif’, de Paris Roubaix Challenge, een ‘cyclosportieve’. Het is de wielertoeristenversie van de echte Parijs-Roubaix, over 148 km (153 volgens de teller), en 31,6 kilometer kasseien, verdeeld over 19 stroken. Ik volbracht de tocht in 5u26m en werd daarmee 364e op 893 finishers.

         

4 gedachten over “Parijs-Roubaix

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.