Pijler 1: Doelen in termen van resultaten. De leerling centraal.

Dit artikel is onderdeel van een serie. Lees hier de inleiding, en hier deel 1.

Het volgende filmfragment komt uit “The Choir”, een BBC-documentaire uit 2008. In dit fragment is te zien hoe Gareth Malone, een jonge koorleider, probeert een jongenskoor op te richten op een middelbare school. Niet gemakkelijk, want de gemiddelde 14-jarige scholier heeft wel wat anders aan zijn hoofd. Zijn doel is om alle jongens in het schoolkoor mee te laten zingen.
Er zijn een paar jongens die zich daar aan onttrekken, een groepje onder leiding van Imran. Zij hebben besloten dat zingen niet cool is. Het vervelende is, dat daardoor andere jongens ook geen zin meer hebben om te zingen. Gareth moet wat bedenken…

De list die Gareth bedenkt is, dat ‘zingen in het schoolkoor’ op verschillende manieren kan. Zijn aanvankelijke idee was om met alle jongens ‘Ombra mai fu’ van Händel te gaan zingen. Als hij strikt vastgehouden had aan dat doel (alle jongens zingen Händel), dan had hij zijn doel niet gehaald. Maar hij formuleerde het doel ruimer: alle jongens hebben plezier in zingen. Om dat doel te bereiken, moest hij het idee (met middel) van één groot schoolkoor loslaten. Hij maakte ruimte voor een andere manier om mee te doen. Zijn rol als leider was zo’n andere manier aan te bieden, en dan jongens het initiatief te laten nemen om hier wat mee te doen. Gelukkig voor hem pikten ze die uitdaging op.

 

Dit voorbeeld maakt duidelijk dat je doelstellingen zuiver moet formuleren. Formuleer je te nauw, dan laat je geen ruimte voor mensen om hun eigen invulling eraan te geven. Je dringt ze dan een bepaalde aanpak op, en het risico bestaat dat die doel op zich wordt. Dat motiveert niet. Pas als je ruimte geeft, kunnen mensen initiatief nemen, en pas als ze initiatief genomen hebben, voelen ze zich eigenaar.

Een tweede belangrijke uitgangspunt is dat doelstellingen altijd in termen van een doelgroep geformuleerd moeten worden. Dat lijkt voor de hand te liggen, maar toch gebeurt dat in het onderwijs lang niet altijd. Kijk naar de volgende voorbeelden:

  • Het aantal uitgestuurde leerlingen in de bovenbouw wordt met 50% verminderd
  • Leerjaar 3 en 4 hebben de uren voor de maatschappelijke stage ingevuld
  • In minimaal 75% van de lessen wordt het digitale bord gebruikt

Dit klinkt allemaal heel logisch. Het zijn goede beleidsvoornemens, die in een bepaald opzicht nastrevenswaardig zijn. Maar het zijn geen goed geformuleerde doelen. De leerling als doelgroep staat niet centraal, of ontbreekt zelfs in zijn geheel. Bekijk deze alternatieven:

  • Leerlingen kunnen het verband leggen tussen eigen inzet op school en hun leerresultaten
  • Leerlingen hebben ervaren om (maatschappelijke) verantwoordelijkheid te dragen
  • Leerlingen krijgen modern en aantrekkelijk onderwijs

Hier zie je dat iedere doelstelling begint met leerlingen. Vervolgens wordt geformuleerd wat er voor die leerlingen bereikt moet worden. Dit is soms een lastig oefening. Kijk bijvoorbeeld naar de eerste doelstelling: het verminderen van het aantal uitgestuurde leerlingen. Dat dat een goed idee is, snapt iedereen. Maar wat is eigenlijk het doel bij leerlingen? Het team dat hierover nadacht, kwam uiteindelijk met elkaar tot de conclusie, dat het belangrijkste was, dat leerlingen beter de samenhang zouden snappen, tussen hun eigen inzet en hun leerresultaat. Als ze er een potje van maakten, werden ze er vaker uitgestuurd en haalden ze lagere cijfers. Zo gaf een oorspronkelijk simpele doelstelling aanleiding tot een waardevol gesprek over de onderliggende pedagogische principes. De ideeën om leerlingen meer dat verband te laten leggen, waren een stuk creatiever, dan de aanvankelijke plannen om het aantal uitgestuurde leerlingen te verminderen.

Op dezelfde manier ging het met de andere doelstellingen. Deze manier van doelen formuleren ontleen ik aan Policy Governance, waar ik in de inleiding al iets over gezegd heb. Het mooie van deze aanpak is, dat je het op alle niveaus kunt gebruiken: van de bestuurder in relatie tot de raad van toezicht, tot aan de leraar die nadenkt over wat de opbrengst van zijn les bij de leerling moet zijn. Op deze manier kun je doelen op verschillende niveaus met elkaar in samenhang brengen.

Als het doel op schoolniveau is dat ‘leerlingen adequaat worden voorbereid op een vervolgopleiding’, dan heeft dat consequenties voor de bovenbouw havo/vwo ( ‘Leerlingen hebben de benodigde cognitieve kennis en studievaardigheden om succesvol door te stromen naar het hoger onderwijs’), maar ook voor de onderbouw ( ‘Leerlingen kunnen erop vertrouwen dat hun resultaten in de onderbouw een goede graadmeter zijn voor hun succes in de bovenbouw’). Die deeldoelstellingen kunnen weer worden toegespitst op doelen voor subteams, en daarin weer naar het niveau van de leraar. Zo is iedereen uiteindelijk met hetzelfde, concreet geformuleerde, einddoel bezig.

Samengevat: een ‘goed’ geformuleerd einddoel begint altijd met de doelgroep, en geeft daarna aan wat er voor die doelgroep gerealiseerd moet worden. Het doel is zo ruim mogelijk, om te voorkomen dat er een bepaalde aanpak tot doel op zich wordt verheven. En omdat alleen binnen die ruimte er initiatief genomen kan worden, en eigenaarschap kan ontstaan. Dat initiatief vindt zijn tegenhanger in verantwoording achteraf, maar daarover later meer.

 

Lees verder: “Pijler 2: Middelen afbakenen. Vertrouwen en ruimte geven

         

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.