Amateurs en de professionals voor de klas

Vandaag startte de tweede ronde van het onderzoeksgroepje met leerlingen uit groep 5 dat ik begeleid. Als amateur-leraar vind ik het geweldig leuk, maar ook een hele klus om die groep in toom te houden. Terwijl we daar zaten, zeven kinderen, ik, een andere ouder, en de stagiaire die een oogje in het zeil hield, liep de leerkracht langs en zei plagend: ‘Zware bezetting, hoor!’ Hij als professional had natuurlijk gelijk: drie volwassenen op zeven kinderen voor een uurtje op woensdagochtend is natuurlijk niets vergeleken bij de 26 overige kinderen die hij ondertussen helpt met begrijpend lezen. Gelukkig weet ik ook dat hij onze inzet ontzettend waardeert.

De afgelopen week was ik een paar dagen in York en op de terugweg in het vliegtuig pikte ik een Financial Times mee. Daarin viel mijn oog op een interessante column over amateurisme. Het ging over een pas overleden cricketcoach, die ondanks dat hij zelf nooit professioneel cricket had gespeeld, toch een zeer geliefd commentator was geweest. De columnist stelde vast dat amateurisme een onderschat element van topsport is: ‘Topsport kan alleen bestaan bij een brede basis in amateursport,’ zo stelde hij.

Als er niet heel veel amateurvoetballers waren, zou professioneel voetbal lang niet zo populair zijn. Als er niet veel mensen zelf ook wel eens een balletje zouden slaan, keek er niemand naar Wimbledon. En als er niet veel mensen ’s avonds in een koor zingen, zouden professionele zangers niet zoveel bewonderend publiek trekken.

Dat geldt ook voor onderwijs, viel me vandaag in. Die professionals voor de klas, ze zouden nergens zijn zonder al die ‘amateurs’ die zich ook met het leren van kinderen bezig houden, op allerlei manieren. ’s Avonds helpen met overhoren. Extra oefenen met rekenen of spellen. Helpen lezen op school. Subtiel vragen of er nog huiswerk moet gebeuren en of er nog hulp nodig is. Of al is het maar aanwezig zijn op een ouderavond of tienminutengesprek.

Natuurlijk, er zijn de supermoeders die er altijd zijn: luizenkammen, voorlezen, Kerstontbijt, oudercommissie, nergens laten ze verstek gaan. Net zoals er amateur-wielrenners zijn die 10.000 kilometer per jaar fietsen, waar ik met veel moeite de 4.000 haal. Ieder spant zich in naar vermogen. Zo is het ook in een school: niet iedereen doet evenveel. Maar iedereen die iets met kinderen heeft, zal zich moeten realiseren dat ze een kleine maar onmisbare bijdrage leveren.

Wij bieden daarmee de basis waar uiteindelijk de leraar op kan excelleren. Natuurlijk, niet iedere leraar is de Lionel Messi van zijn vak. Dat zou aanmatigend zijn. Maar ook de spits van PEC Zwolle voetbalt beter dan de meeste vaders in hun veteranenclubje. Niets om je voor te schamen, maar het verschil is er zeker.

Als het ons ouders nu lukt trots te zijn op onze kleine bijdrage, net zoals op dat ‘balletje dat we wel eens slaan in het weekend’, dan is het misschien ook makkelijker ons te realiseren dat wat de professionals voor de klas doen, net een graadje moeilijker is dan wat wij te berde weten te brengen. En dat dat soms ook gewoon bewondering verdient.

         

Een gedachte over “Amateurs en de professionals voor de klas

  1. In het Frans betekent het woord amateur in eerste instantie “liefhebber” of “enthousiasteling” – je suis un amateur de Motzart – en niet “ondeskundige” waar wij het mee associëren. Vanuit deze oorspronkelijke betekenis kunnen leerkrachten niet amateuristisch genoeg zijn!

    Wederom bedankt voor een mooie tekst!

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.