De ROC’s van Rotterdam: identiteit en denominatie

Zie ook mijn eerdere blogs over deze kwestie: hier en hier.

Zoals ik schreef in mijn vorige blog over de ROC’s van Rotterdam, ontstonden de ROC’s in de loop van de jaren ’90 uit een scala aan scholen voor lager en middelbaar beroepsonderwijs en instellingen voor volwasseneneducatie. Sommige van die scholen waren christelijk, andere katholiek of openbaar. Die denominatie werd doorgaans ‘meegenomen’ in het ROC. Zo ontstond Amarantis uit het interconfessionele (protestants-christelijk en katholieke) VO-onderwijs, en het protestants-christelijke beroepsonderwijs, verenigd in ROC ASA.

Ook in Rotterdam speelt dat: Albeda College is van oorsprong protestants-christelijk, en Zadkine is ‘algemeen bijzonder’. De verbinding tussen een bepaalde religieuze grondslag en het onderwijs is voor de meeste Nederlanders, zeker waar het beroepsonderwijs betreft, inmiddels niet meer van belang. Behalve dan in streng gelovige kringen, zoals bijvoorbeeld het Hoornbeeck College een landelijk MBO voor de reformatorische zuil is.

Gezien het vergevorderde stadium van de plannen, zal in deze kwestie de levensbeschouwelijke identiteit van de instellingen geen rol van betekenis meer spelen. Een aanwijzing hiervoor is de statutenwijziging die het Albeda College in 2011 heeft doorgevoerd en waarmee de mogelijkheid wordt geopend een fusie met een instelling van een andere denominatie aan te gaan. Niettemin lijkt het me voor de betrokken besturen relevant om de kwestie van de denominatie te bespreken. Hoe werkt die nog door? Welke kernwaarden zijn nu nog te herleiden tot de oorspronkelijke inspiratiebronnen?

De antwoorden hierop vertalen zich in ‘beoogde opbrengsten’ voor leerlingen, waar de instellingen waarschijnlijk snel uit zullen komen. Je kunt lang en breed praten, maar er is geen verschil tussen ‘interconfessionele’ en ‘algemeen-bijzondere’ wiskunde. Ook op het niveau van ongewenst gedrag zal er weinig verschil meer zijn. Je kunt je haast niet voorstellen dat het nu nog speelt, maar 30-40 jaar geleden was er bepaald gedrag op school, en daarbuiten, dat in christelijke kringen als ongewenst werd beschouwd. Zoals het bezit van een televisie nog steeds een obstakel kan zijn om leerling te worden op het reformatorisch ROC.

Fusie uit angst, of fusie uit kracht?

De belangrijkste reden om het gesprek erover te voeren, is om de laatste angst voor het samengaan met een ‘andere club’ weg te nemen. Door te praten over die  inspiratiebronnen, kun je erachter komen dat de bronnen misschien anders zijn, maar de kernwaarden, en het gedrag dat daaruit voortvloeit, hetzelfde. Dat levert herkenning en verbondenheid op.

Dat dit geen overbodige luxe is, blijkt het debacle rond Amarantis. Een belangrijke drijfveer voor de opeenvolgende fusies was in dat geval het behoud van het christelijk onderwijs, zo bleek uit opmerkingen die door oud-bestuurders werden gemaakt in een reconstructie achteraf van het Amarantis-debacle. De angst om het ‘christelijke’ te verliezen (wat dat dan ook nog voorstelde) was groter dan de inspiratie die uit dat christelijke kon worden gehaald om er meerwaarde voor de leerlingen mee te realiseren. Die angst was mede de oorzaak van de verwarring over de te volgen koers, en een gebrek aan criteria van de toezichthouder om het beleid van de bestuurder te beoordelen. Een dure les, die hopelijk leerzaam kan zijn voor de situatie in Rotterdam.

         

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.