Eén, twee…, zeven! Hoeveel ROC’s heeft Rotterdam nodig? (1)

De kwestie rond het al dan niet fuseren en dan opdelen van ROC Zadkine en Albeda College lijkt een nieuwe trend in te luiden: het opdelen in kleinere eenheden van grote onderwijsinstellingen, met een lelijk woord defuseren genoemd. De vraag of dit een goed idee is, kan moeilijk in het algemeen beantwoord worden. In dit blog wil ik kijken wat zinvolle vragen er zijn te stellen, om meer zicht op dit vraagstuk te krijgen.

Regelmatige lezers van dit weblog zullen niet verrast zijn, dat ik dit doe vanuit drie hoofdthema’s: de verhouding doelen&middelen, de vraag naar het eigenaarschap van de ROC’s, en tot slot de verhouding tot de identiteit van de instellingen.

Doelen en middelen

In de eerste plaats: wat is de belangrijkste opbrengst die deze ROC’s willen bereiken voor hun leerlingen, gegeven de hoeveelheid geld die de samenleving voor beroepsonderwijs overheeft? En in de tweede plaats: wat willen de ROC’s voorkomen bij het realiseren van die opbrengst?

Dit lijken voor de hand liggende vragen, maar de vraag is of ze de afgelopen jaren, en ook nu in deze actuele discussie, afdoende beantwoord zijn. Natuurlijk; ROC’s willen passende beroepsopleidingen verzorgen, dat ligt voor de hand. Maar dat is de activiteit, dat is nog niet de opbrengst voor de leerlingen. Die opbrengst zou kunnen worden geformuleerd als een adequate voorbereiding op de toekomstige arbeidsmarkt. De verraderlijkheid zit in het woordje ‘toekomstig’, daar kom ik zo op terug.

De afgelopen jaren hebben de ROC’s met allerlei vernieuwingen in hun onderwijs geprobeerd die toekomst in het onderwijs in te bouwen. Competentiegericht onderwijs was het sleutelwoord: niet de traditionele opleiding tot timmerman of administratief medewerker stond nog centraal, maar flexibele vaardigheden die de beroepsbeoefenaar zou kunnen toepassen in beroepen die nu nog niet bestaan.

ROC’s ontwikkelden bovendien allerlei nevenactiviteiten om de samenleving in de school te brengen: winkels, bouwprojecten, mini-ondernemingen, en internationale samenwerking tot in China aan toe.

Om die vernieuwingen mogelijk te maken werden bovendien nieuwe financiële mogelijkheden verkend. Schaalvergroting bleek voor vrijwel alle ROC’s een onvermijdelijke manier om meer geld vrij te maken voor de nieuwbouw die blijkbaar hoorde bij vernieuwend onderwijs.

India en Polen

Nu blijkt dat veel van de middelen die ROC’s gekozen hebben, in veel gevallen geleid hebben tot ongewenste neveneffecten. Door de doorgeschoten aandacht voor competenties, herkenden leerlingen het vak niet meer, waar ze zo graag in opgeleid wilden worden. Nevenactiviteiten kostten in sommige gevallen zoveel geld dat er te weinig overbleef voor het kernonderwijs. Schaalvergroting en nieuwbouw leidde tot kolossen waar leerlingen en leraren zich van elkaar vervreemd hebben, en de belangrijke socialisatiefunctie in een gemeenschap, die het onderwijs ook heeft, verloren ging.

Maar dat deze middelen tekortgeschoten hebben, of liever, niet binnen de gewenste kaders gebleven zijn, betekent niet dat de gewenste opbrengst van de ROC’s ook veranderd is.

Nog steeds is het van belang dat ROC-leerlingen een adequate voorbereiding op een toekomstige arbeidsmarkt ontvangen. Teruggaan naar de traditionele meao van 20 jaar geleden kan daar een manier voor zijn, maar succes is zeker niet gegarandeerd. Een directiesecretaresse anno 2013 bevindt zich even waarschijnlijk in een callcenter in India als in een kantoor in Amsterdam-Zuid. Een gespecialiseerd kozijnenmaker kan leveren vanuit Polen of Indonesië. De administratief medewerker die van de meao komt in 2017 en de timmerman die zijn mts dan afrondt, zullen dus merken dat het werk waar zij voor opgeleid zijn, verdwenen is.

Waardevolle opbrengsten

Waar het om gaat, is dat we steeds nieuwe manieren blijven zoeken om inhoudelijk waardevolle opbrengsten voor leerlingen te realiseren. En ons er tegelijkertijd heel goed van vergewissen dat ongewenste neveneffecten van de gekozen middelen zoveel mogelijk binnen de perken blijven.

Een grote instelling, en grote gebouwen hoeven op zich geen probleem te zijn, als ze maar niet leiden tot een verlies van verbondenheid tussen leraren en leerlingen. Standaardisatie van werkprocessen om geld te besparen, is een goed idee, als het maar niet te veel de ruimte voor eigen initiatief inperkt die leraren nodig hebben om het onderwijs aan te passen. Samenwerken met China kan een goed idee zijn, als maar duidelijk is op welke manier dit de leerlingen helpt zicht voor te bereiden op hun toekomst, tegen een acceptabele investering.

Al deze mogelijkheden afwegend, wordt duidelijk dat het voor buitenstaanders zoals mijzelf, onmogelijk is al dit soort vragen in het algemeen te beantwoorden. De enigen die dat kunnen, zijn de CvB’s en RvT’s van de twee ROC’s waar het hier over gaat. Dat geldt net zo goed voor de kwestie die aanleiding is tot deze bespiegelingen, namelijk of de twee ROC’s samen moeten gaan en of ze vervolgens weer zouden moeten uiteengaan in kleinere vakcolleges.

Fusie en defusie zijn niet anders dan middelen om dat ene doel (die adequate voorbereiding op toekomstige beroepen) te bereiken. Beide middelen kunnen leiden tot ongewenste neveneffecten. Hoe bepalen CvB en RvT nu wat ‘ongewenst’ is of niet? Daarover gaat mijn vervolgblog volgende week.

         

2 gedachten over “Eén, twee…, zeven! Hoeveel ROC’s heeft Rotterdam nodig? (1)

  1. Beste Hartger,
    Allereerst een bijzonder leuke blog. Als deeltijd onderwijskunde student (aan de UU) maar voornamelijke als onderwijskundige in het mbo zou ik toch graag een kritische beschouwing willen geven.

    Je legt een causaal verband tussen competentiegericht leren in het mbo en schaalvergroting. Dit is mijns inziens zeer arbitrair.

    De schaalvergroting van onderwijsinstellingen (ROC’s) is al halverwege de jaren negentig van de vorige eeuw ingezet. De invoering van competentiegericht leren in het mbo heeft zich pas vanaf 2004 gevormd. De schaalvergroting was destijds een beleid van de (Paarse) regering, om de beheersbaarheid van dit soort instellingen te vergemakkelijken. Dit was ook een reactie op situaties zoals deze tot op de dag van vandaag zich voordoen. Zo worden in Utrecht door MBO Utrecht (voorheen Amerantis) op de Australielaan exact dezelfde opleidingen aangeboden als door ROC Midden Nederland op de Marco Pololaan. Daar ligt letterlijk nog geen 600 meter tussen. Je hebt gelijk als je stelt dat dit niets zegt over de (leer)opbrengsten, maar het geeft je te denken of onderwijsinstellingen elkaar moeten beconcurreren? Dit was echter wel de toenmalige visie van OCW.

    Met deze zogenaamd bedrijfsmatige visie en manier van werken zijn ook de megalomane onderwijsinstellingen ontstaan, waarbij directeuren en CVB’s elkaar ook achterlijke salarissen toebedeelde. De inhoud van het onderwijs (of opbrengst) staat/stond niet centraal maar marktaandeel, effectiviteit en efficiency. Deze sleutelwoorden hebben bijgedragen aan de onderwijskundige, inhoudelijke kaalslag van de afgelopen jaren.

    Competentiegericht leren was aanvankelijk ook geen vaag onderwijsconcept. Het was een concrete vraag vanuit het bedrijfsleven naar beter personeel. Het doel was dus de verkleining van de kloof tussen het onderwijs en het beroep. Dat er daarbij een onderwijsconcepten zijn ontstaan die het daglicht niet kunnen verdragen is helaas een gegeven.

    Dat defusie een tegenreactie is geworden, is mijns inziens niet zo gek. De beheersbaarheid van het onderwijs was namelijk volledig weg. Docententeams functioneerde al jaren volledig autonoom en zonder supervisie, omdat de manager aan het reorganiseren of bezuinigen was. Als medewerker in het mbo zie ik momenteel de gevolgen van de decentrale beweging:
    – Kleinere teams;
    – Leidinggevende die zich (eindelijk) met de inhoud/onderwijsondersteuning gaan bezighouden;
    – Verhoging van de kwaliteit van examinering (Implementatie van Focus op Vakmanschap);
    Etc..

    Dat twee ROC’s dus samengaan is mijns inziens niet zo gek. Hetzelfde zou ook gelden voor de Universiteit. Wat zou de toegevoegde waarde zijn als op de Uithof, exact dezelfde studie door een andere Universiteit (bijvoorbeeld onderwijskunde) wordt uitgevoerd?

  2. Dag Giel,

    Dank voor je uitgebreide reactie, verhelderend. Ik kom nog met twee vervolgblogs, ben benieuwd wat je daarvan vindt. Overigens is competentiegericht leren misschien pas in 2004 ingevoerd, maar er werd al veel langer over gepraat. Ik heb hierover in 2000 al college gegeven in het kader van bve-beleid. En de ROC-vorming is in mijn herinnering niet bedoeld om concurrentie te stimuleren, maar juist om op regionaal arbeidsniveau opleidingen en bedrijfsleven beter op elkaar aan te laten sluiten. Zie mijn volgende blog. Dat er verschillende ROC’s in een stad ontstonden heeft meer te maken met denominatie en identiteit dan met concurrentie. Hierover gaat mijn derde blog.

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.