‘It’s the ownership, stupid’–de zeven ROC’s van Rotterdam (2)

De vraag waarmee ik mijn vorige blog afsloot was: hoe kun je nu als CvB en/of RvT bepalen wat ongewenste effecten zijn van het beleid dat je voert. Waar haal je de criteria daarvoor vandaan? Je wilt immers voorkomen dat individuele voorkeuren van de personen in het bestuur of raad van toezicht een grote doorslag gaan geven. Dat vinden we voor een maatschappelijke instelling als een school niet wenselijk.

Het is daarom een geaccepteerd gegeven dat het bestuur rekening houdt met de wensen en belangen van belanghebbenden, of ‘stakeholders’ in bestuurlijke taal. Maar dat lost nog niet veel op, want belanghebbenden zijn er veel. Studenten, leraren, stagebedrijven, toekomstige werkgevers, toeleverende scholen en ‘afnemende’ vervolgopleidingen, de lokale en landelijke overheid, enzovoort. Hoe kan een bestuur hier prioriteiten in stellen?

Laten we even teruggaan naar de ontstaansgeschiedenis van ROC’s. ROC’s zijn ingericht om de belangen van beroepsopleidingen en bedrijfsleven, en daarmee van de samenleving, beter te kunnen behartigen. De arbeidsmarkt voor MBO’ers is vooral regionaal, dus het leek midden jaren ’90 een goed idee om het onderwijs dan ook maar regionaal te organiseren. Een constellatie van werkgevers, sectororganisaties en de lokale en regionale overheden (in eerste instantie vertegenwoordigd door RBA’s, regionale bureaus voor arbeidsvoorziening) werkten samen om deze ROC’s te realiseren.

Je kunt van deze samenwerkende, primaire belanghebbenden zeggen moreel geïnvesteerd hebben in ROC’s en daar een sociaal rendement van verwachten. Net zoals financiële eigenaren een financieel rendement op hun investering verlangen.

Nog steeds zal deze groep zich op langere termijn verantwoordelijk voelen voor een adequaat aanbod van toekomstgeoriënteerde beroepsopleidingen. Het is aan deze constellatie van belanghebbenden, die je de ‘morele eigenaren’ van het ROC zou kunnen noemen, dat het bestuur (CvB en RvT samen, in dit geval) van een ROC primair verantwoording aflegt. Waarbij het een probleem is, dat de initiële overheidsvertegenwoordiger (de RBA-regio) inmiddels verdwenen is.

Een sterk economisch-educatief netwerk

Uit deze analyse kan de conclusie getrokken worden, dat de vraag, of de twee ROC’s samen moeten gaan, en vervolgens fuseren, besproken moet worden met, of in ieder geval met vertegenwoordigers namens deze primaire belanghebbenden (ofwel morele eigenaren). Daar waar het morele eigenaarschap diffuser is geworden, bijvoorbeeld door het verdwijnen van de RBA’s, en het verwateren van een bepaalde denominatieve geworteldheid, daar zal het bestuur van een ROC op zoek moeten gaan naar de actuele morele eigenaren.

Nog steeds zullen werkgevers en sectororganisaties een belangrijke verantwoordelijkheid en betrokkenheid voelen. Maar misschien is de regio Rotterdam te groot om op een adequate manier beroepsonderwijs te verzorgen, bijvoorbeeld omdat voor het ene deel van Rotterdam een heel ander type beroepsonderwijs gevraagd wordt, dan het andere. Het criterium of je daar andere bestuurlijke eenheden voor in moet richten, is of sommige delen van Rotterdam een totaal andere groep werkgevers, beroepen en overheden bedienen. Ik denk niet dat dat het geval is. Eén ROC voor heel Rotterdam zou een heel goede manier kunnen zijn om op regionaal niveau een bepaald gedeeld belang voor een sterke economisch-educatief netwerk te behartigen.

Wel is het zo dat er een grote variëteit is in de populatie aan leerlingen. Concreet gezegd: ‘op Zuid’ zullen er veel meer leerlingen zijn die zichzelf niet zomaar redden op een opleiding, laat staan in een beroep. Zij hebben een ander type opleiding nodig, met (waarschijnlijk) meer begeleiding, minder theorie en meer ondersteuning op taalvaardigheid. Om dat te bieden kun je, binnen de bestuurlijke eenheid, heel goed scholen inrichten, die wat betreft onderwijs op een heel andere leest gestoeld zijn dan beroepsopleidingen in de delen van Rotterdam waar leerlingen wél een bepaalde mate van zelfstandigheid in het onderwijs aankunnen, en zelfs vragen om die flexibiliteit.

Als we een goed antwoord willen geven op de vraag hoe we die variatie zouden moeten bereiken, zijn we terug bij de vragen van het begin: wat is het dan dat we willen realiseren voor leerlingen, en welke ongewenste neveneffecten willen we voorkomen? Die vragen kunnen we dan per schoollocatie beantwoorden.

It’s the ownership, stupid

Op deze manier wordt duidelijk dat de kwestie van het al dan niet fuseren van de twee ROC’s die Rotterdam op dit kent, niet in algemene zin te beantwoorden is. Daarvoor is het in de eerste plaats nodig dat we weten welke groepen in de maatschappij primair betrokken moeten worden in deze kwestie. En in de tweede plaats zullen we heel zuiver de beoogde opbrengsten voor leerlingen moeten scheiden van de ongewenste effecten van de middelen die gekozen worden om die opbrengsten te realiseren.

Het allerbelangrijkst is om weer terug te gaan naar de morele eigenaren, de belangrijkste belanghebbenden. Waar we de kwestie van de morele eigenaren in het midden laten, en bovendien een probleem met de verkeerde middelen willen oplossen zonder ons af te vragen wat dat betekent voor de gewenste opbrengsten, zullen we in ieder geval geen helderheid krijgen.

         

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.