This page was exported from De Professionele Dialoog [ https://www.hartgerwassink.nl ]
Export date: Fri Apr 26 12:24:22 2019 / +0200 GMT

Over de Onderwijscoöperatie en het Lerarenregister



Een anekdote. Onlangs begeleidde ik een bestuur van een VO-school in een reflectiebijeenkomst met de algemene directie. De algemeen directeur van de school legde uit hoe er een paar lastige dossiers waren geweest van niet-functionerende leraren die ontslagen moesten worden. Dat had tot veel onrust in de school geleid. Andere leraren hadden zich beklaagd dat ze niet op de hoogte werden gehouden en dat het ontslag van de collega's voor hen wel erg plotseling kwam.

Een van de bestuursleden werkte als partner bij een advocatenkantoor. Hij was het type dat je je erbij voorstelt: donkerblauw pak, beetje warrig corps-kapsel, en een articulatie die niet altijd bij z'n woordkeuze paste. Hij had het gesprek met stijgende verbazing aangehoord. “Hoor eens,” begon hij, bijna korzelig, “bij ons op kantoor is er ook wel eens wat aan de hand, en dan moeten we ook afscheid nemen. Dan moeten ze niet proberen bij mij te komen mekkeren. ‘Zeg, hou je bek, ga eens aan het werk,' zeg ik dan.” Kwestie afgedaan.

Ik moest hieraan denken toen ik de brief op poten las die de Onderwijscoöperatie stuurde naar de Tweede Kamer over de Lerarenagenda,  op vrijdag 4 oktober gepresenteerd door Jet Bussemaker en Sander Dekker. Een van de punten daarin is het Lerarenregister, dat nu per 2017 verankerd moet worden in de wet, en waarin de overheid, blijkbaar samen met schoolbesturen, meer regie wil nemen.

De ontwikkeling die is ingezet sinds de omvorming van SBL in Onderwijscoöperatie in 2011, gaat de minister niet snel genoeg. Ik kan me voorstellen dat de Onderwijscoöperatie zich nu gepikeerd voelt. Ik kan me ook voorstellen dat er leraren zijn, die het principiëler opvatten: een lerarenregister kan alleen werken, als het echt van de leraren zelf is en die daarom moeite hebben met de rol die de schoolbesturen krijgen.

Ik heb twee bedenkingen bij deze bezwaren. De eerste betreft de Onderwijscoöperatie. Vooropgesteld: die doet goede dingen. Sinds tijden is er niet zo'n duidelijke, brede coalitie geweest die met invloed en gezag het opneemt voor de leraren. Ik was onder de indruk van het Lerarencongres van afgelopen week, waar–uniek–daadwerkelijk heel veel leraren kennis en ervaringen met elkaar deelden.

En toch wringt er iets, want de coöperatie zegt ‘van, voor en door leraren' te zijn. Maar goed beschouwd is ze vooral een samenwerkingsverband van vakbonden en wordt ze daarbij stevig gefinancierd door de overheid. Er is geen leraar die zelf rechtstreeks lidmaatschapsgeld aan de Onderwijscoöperatie overmaakt. Met het ‘voor' kan ik dus best leven, maar het ‘van' en ‘door' zou van mij gerelativeerd mogen worden. Gezien de tag-line zou ‘Lerarencoöperatie' misschien logischer zijn geweest. Maar wat een echte lerarencoöperatie inhoudt, heeft Frank Weijers onlangs beschreven in het vakblad Van 12 tot 18.

Vergelijk het met beroepsverenigingen van artsen en advocaten. Zij zijn een voorbeeld voor leraren, waar het gaat om een eigen register, met eigen nascholing, eigen criteria voor toetreding en herregistratie en zelfs een eigen tuchtrecht. Maar dan springt al snel in het oog dat die beroepsverenigingen echte verenigingen zijn, van beroepsbeoefenaren, geen coöperatie van belangenorganisaties. Laat staan dat ze subsidie krijgen.

Mijn tweede bedenking is, dat als leraren het echt zelf willen doen, dat nogal wat betekent. De meeste artsen en vrijwel alle advocaten werken als zelfstandigen. Zij dragen zelf risico voor hun werk, regelen hun eigen klanten, administratie, kantoor, enzovoort. En ik durf er bijna niet over te beginnen, maar artsen en advocaten die als zelfstandige werken, maken vaak heel lange werkdagen en kunnen die niet compenseren met 12 weken vakantie.

En ze voeren dus ook hun eigen personeelsbeleid, zoals blijkt uit het voorbeeld waar ik mee begon. Een advocaat die niet functioneert, krijgt dat echt wel te horen van zijn collega's. En daar zit de klem met de huidige Onderwijscoöperatie. Daarin zijn de vakbonden partner, en die zullen niet snel werk maken van een strikte selectie, als dat ook arbeidsrechtelijk consequenties kan hebben.

Dat betekent niet dat een registratiesysteem alleen maar een afrekensysteem moet zijn. Het betekent wel, dat er duidelijkheid moet zijn over een ultieme consequentie. In de advocatuur gebeurt wel eens iets, en we hebben dit jaar gezien dat collega-advocaten er niet voor terugschrikken om die ultieme maatregel te nemen: schrappen uit het tableau. Ook in de medische wereld hebben we de afgelopen jaren gezien dat sommige artsen, die het te bont hadden gemaakt, uit het register geschrapt werden.

Voorbeelden van het tegendeel hebben we ook. In NRC Handelsblad van 10 oktober stond een interview met de voorzitter van de beroepsvereniging van accountants. Hem werd gevraagd waarom het opzichtige falen van de accountancy tijdens de financiële crisis zo weinig consequenties voor de beroepsgroep heeft gehad. Hij kwam niet verder dan dat er actieplannen waren, die tot verbetering moesten leiden. Hij was duidelijk niet van plan collega's te laten vallen, die er een potje van gemaakt hadden. Ik heb het niet nagezocht, maar ik denk niet dat accountants evenveel vertrouwen genieten als artsen, advocaten of zelfs leraren. Kortom: wil je het echt zelf doen, dan zul je moeten laten zien dat het je menens is met de kwaliteit van je beroepsgroep.

In dezelfde krant van 10 oktober stond een mooi portret van goudsmid René van Tol, die vertelde over hoe het in hun gilde in Den Bosch werkt. De ballotage om meester te worden binnen het gilde is streng: 10 jaar werkervaring is het minimum en dan moet je vijf voorbeeldstukken kunnen laten zien, én bereid zijn je kennis met vakgenoten en leerlingen te delen. Het meesterschap dat je zo kunt verwerven, is niet alleen een erkenning, maar schept ook een verantwoordelijkheid: “De titel is niet bedoeld om te laten zien dat je beter bent dan andere gildeleden. Je moet positief naar nieuwe leden kijken en die helpen ook meester te worden.”

Zo zou een lerarenregister ook moeten werken: leraren die strenge eisen aan elkaar stellen, om vervolgens die kennis en vaardigheden over te dragen op een nieuwe generatie. Zonder vakbond, en zonder subsidie. Als ik die leraren was, dan zou ik me afvragen waar ik die Onderwijscoöperatie eigenlijk voor nodig had. En dan gewoon morgen beginnen met een clubje dat echt wat wil en dat bereid is de consequenties van die verantwoordelijkheid te dragen.

Update: Deze interessante reactie kwam van Marjolein Held:

https://twitter.com/HeldMarjolein/status/388783305480753152

De website van die beroepsvereniging docenten MBO ziet er heel interessant uit, zou mooi zijn als er ook zo'n vereniging kwam in VO en PO. Of beter nog, over de sectoren heen.

 

 


Post date: 2013-10-10 22:33:52
Post date GMT: 2013-10-10 21:33:52
Post modified date: 2013-10-12 08:09:24
Post modified date GMT: 2013-10-12 07:09:24

Powered by [ Universal Post Manager ] plugin. MS Word saving format developed by gVectors Team www.gVectors.com