Over die “overvolle klassen”–en dan nemen we die schoolreisjes ook even mee

Zo zet Twitter me weer eens aan het denken. Nu over de vraag waarom ik ‘overvolle klassen’ geen geschikt onderwerp voor een publieke discussie vind. Ik had hierover een kleine uitwisseling met Toos de Rijk:

Mijn antwoord paste niet meer in 140 tekens, vandaar dit blogbericht. Wat me dwarszit aan de discussie, is niet dat ik vind dat klassen nog wel voller kunnen. Integendeel, ik zie en hoor ook dagelijks wat de nadelen en excessen zijn van te veel kinderen in een te kleine ruimte. Ik gun leraren ook de 24 kubieke meter die mij op de HU als gedeelde werkplek is toebemeten en die ik slechts met een of enkele gesprekspartners hoef te delen.

Waar het me om gaat, is dat ik de discussie niet consequent vind. Aan de ene kant willen leraren geen inmenging van de overheid in hun vak. Aan de andere kant wel, zodra het hun beter lijkt uit te komen. Zo blijven we ‘oud denken’ en komen we niet verder. Volgens mij worden er twee vragen door elkaar gehaald:

  • Wat is goed onderwijs?
  • Hoe verbeteren we de werkomstandigheden van leraren?

Beide zijn essentiële, belangrijke vragen, maar we moeten ze niet door elkaar halen. Een deel van de ‘volle klassen’-discussie gaat over werkdruk. Er is veel onderzoek dat laat zien, dat werkdruk bestaat uit twee componenten: de daadwerkelijke werklast én de mogelijkheden om daar mee om te gaan. Hoe minder ‘regelmogelijkheden’ en hoe minder steun leraren (en anderen) ervaren, hoe zwaarder de feitelijke werklast op hun schouders drukt. Leraren zouden dus niet om meer regels moeten vragen, want dat beperkt hun regelmogelijkheden nog verder.

Wat ze in mijn ogen beter kunnen doen, is de eerste vraag aan de orde stellen. Met elkaar, met hun leidinggevenden, met leerlingen en hun ouders. Welk onderwijs willen we met elkaar, en wat zou dat op moeten leveren? Een gebrek aan antwoord op die laatste vraag, werd onlangs door de Onderwijsraad als belangrijkste risico voor het Nederlandse onderwijs aangemerkt.

Het lijkt een open deur: wat vinden we goed onderwijs? Maar in mijn ervaring, zodra je erover gaat praten, blijkt er heel veel aan te zijn, waar we het al heel lang niet meer over hebben met elkaar. Als je dat gesprek aangaat, blijkt dat er heel veel variëteit mogelijk is in wat we goed onderwijs vinden en hoe je dat kunt vormgeven. Van een klassiek gymnasium tot gepersonaliseerd leren.

Kortom: er is niet één beste manier om ‘onderwijs te doen’. Waar we naartoe moeten, is het creëren van ruimte om iedere school, ieder samenwerkingscollectief van leraren, leerlingen en ouders, hun eigen vormen te laten kiezen. Daarvoor moet je met elkaar in gesprek gaan, en niet de staatssecretaris om een regeling tegen overvolle klassen vragen. Dat leidt alleen maar van waar het werkelijk over gaat.

Oh, en nu we het er toch over hebben. Dat geldt ook voor de ‘schoolreisjes’-discussie.

Ook hier moet het niet gaan over de vraag of je in het algemeen schoolreisjes moet verbieden of niet. Er is een groot verschil tussen het jaarlijkse uitje van de onderbouw naar de grote waterspeeltuin in de stad, waar de meeste kinderen zich enorm op verheugen, en de semi-verplichte peperdure skivakanties waarmee bepaalde scholen zich niet geheel zonder bijbedoelingen profileren.

Ook hier geldt: het is aan leerlingen, leraren en ouders samen om te bepalen wat ze ‘goed onderwijs’ vinden en om hier vorm aan te geven. Bevalt je als ouder zo’n dure skivakantie niet, dan moet je misschien niet voor zo’n school kiezen. Of in gesprek gaan met de school om te vragen vanuit welke pedagogische overwegingen die skireis wordt aangeboden, en samen onderzoeken of je daar ook op een andere manier invulling aan kunt geven. Dit landelijk willen regelen, op basis van ‘evidence’, laat staan door middel van een wet of regel, ontneemt je als ouder en als leraar de kans om dat pedagogische gesprek te voeren. Dat zou je dus niet moeten willen.

         

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.