Wetenschappelijk schrijven (4) Schrijven is verantwoorden

Dit artikel is een vervolg op de reeks artikelen die ik in het najaar schreef over wetenschappelijk schrijven. Klik hier voor het eerste deel.

Ik vind het handig om te beginnen met schrijven vanuit de resultaten die je wilt beschrijven. Dat betekent niet dat je eerst de resultatenparagraaf helemaal uitschrijft, voor je aan de andere (voorgaande) paragrafen begint. Meer is het zo, dat als je aan de resultaten bezig bent, je dan merkt wat je in de andere paragrafen (Theorie en Methode) nog nader uit moet werken.
Een valkuil is ook, zeker bij kwalitatief onderzoek, dat de paragraaf Resultaten enorm uitgebreid raakt. Hoewel dat niet helemaal te voorkomen is, als interview- en observatietranscripties je belangrijkste gegevens vormen, is het toch belangrijk om de Resultaten zo beknopt en gericht mogelijk te houden.
In dit stukje wil ik ingaan op de samenhang tussen de vier ‘hoofdparagrafen’ om meer grip op te krijgen op de onderlinge samenhang, en om de Resultaten-paragraaf zo toegespitst mogelijk te houden. Dit vanuit het uitgangspunt, dat wetenschappelijk schrijven in de eerste plaats gaat om het verantwoorden van je keuzes. En niet, wat toch wel eens gebeurt, om het opstellen van een retorisch dichtgetimmerd betoog. In de criteria voor de kwaliteit van je onderzoek en je keuzes, sluit ik aan bij het artikel hierover van Akkerman et al. (2008) dat ik al eens eerder besproken heb.

In de paragraaf Theorie geef je weer hoe jij een bepaald theoretisch concept opvat, gebaseerd op andere auteurs. Dat doe je voor ieder concept dat je gebruikt (wat gelijk een goede reden is om zorgvuldig te kiezen welke concepten je wel, en welke je niet wilt bespreken). Daartoe vat je de andere auteurs samen en geef je aan wat dit voor jouw onderzoek betekent. Het kan goed werken, om dan ook aan het eind van zo’n alinea te eindigen met de zin: ‘Dat betekent voor dit onderzoek, dat…’ Qua literaire stijl is dat natuurlijk dodelijk, maar we schrijven geen literatuur, het gaat erom dat je begrijpelijk en navolgbaar bent in je betoog.
Na de bespreking van de concepten die je gebruikt, eindigt de paragaaf Theorie in de deelvragen die je hanteert voor je onderzoek. Daar moeten die dan concepten natuurlijk in terugkomen!
In de paragraaf Methode ga je een stap verder: je gaat nu operationaliseren. Daarvoor pak je een stukje terug van de definitie of omschrijven van de concepten, en ga je vervolgens uitleggen hoe je deze vertaalt in waarnemingen (op basis van de gegevens die je gaat verzamelen).
Deze bespreking van de operationalisaties mondt uit in de verwachtingen die je hebt, over wat je denkt te gaan zien in de gegevens, en de manier waarop deze waarnemingen met elkaar samenhangen. In gangbaar, kwantitatief onderzoek formuleer je hypotheses. In kwalitatief onderzoek heb je die misschien niet zo scherp van te voren, maar je heb waarschijnlijk wel een bepaald idee van waaruit je naar de gegevens kijkt. Hoe beter je dit idee van te voren expliciteert, hoe meer navolgbaar je bent (zie hiervoor de drie criteria van Akkerman et al.). Ook hier helpt het, om dan ook maar gewoon zinnen te maken. In dit geval werken ‘als…dan’-zinnen goed. Een vorm die je kunt kiezen, is: ‘Ten aanzien van [concept x] verwachten we dat als … dan …’

In zowel de paragraaf Theorie als Methode gaat het om de verantwoordingen van keuzes die je maakt, gericht op het beantwoorden van je onderzoeksvraag (weer: zie de criteria van Akkerman et al.). Het is dus enorm belangrijk dat je je centrale onderzoeksvraag voor het paper nauwgezet hebt geformuleerd. Die geeft je houvast in het maken van de noodzakelijke keuzes.

Een voorbeeld
Magda analyseert gegevens op het voorkomen van ‘ongemak’ bij leerlingen in lessituaties. Na een voorlopige literatuurstudie, het formuleren van een onderzoeksvraag en het zoeken van geschikte instrumenten, heeft ze video-opnames laten maken in haar lessen. Nu is ze bezig een paper te schrijven over de eerste resultaten van haar analyses.
Ze begint met schrijven vanuit de Resultaten-paragraaf. Daarvoor selecteert ze bepaalde fragmenten die volgens haar het ‘ongemak’ goed weergeven. Deze selectie vindt natuurlijk niet willekeurig plaats, maar hiervoor gaat ze systematisch en verantwoord te werk. Dit valt onder het thema analyse, waar we hier verder niet op ingaan.
Op het moment dat Magda gaat schrijven, merkt ze dat het nodig is om in de paragraaf ‘Methoden’ toe te lichten hoe ze ‘ongemak’ operationaliseert. Daarvoor haalt ze stukjes tekst naar de paragraaf Methoden en werkt ze daar verder uit. Zodra ze daarmee bezig gaat, merkt ze dat het nodig is om in de paragraaf ‘Theorie’ toe te lichten waarom ‘ongemak’ voor haar een centraal begrip is, dat ze wil onderzoeken. Dus schrijft ze daarvoor ook aan de betreffende alinea’s daarover in de paragraaf Theorie. Daarvoor keert ze af en toe terug naar haar onderzoeksvraag, om scherp te houden waar ze naartoe wil in de bespreking van de concepten.
Op het moment dat ze in zowel Theorie als Methode haar keuzes verantwoord heeft, hoeft ze in de Resultaten-sectie alleen nog maar de stukje transcripties te laten zien van de fragmenten die ze heeft geselecteerd, met daarbij een kleine toelichting over in hoeverre de verwachtingen die ze had, aan het eind van de paragraaf ‘Methode’ ook daadwerkelijk zijn uitgekomen. ‘In dit fragment zien we het ongemak terug in de woorden … en … die de leerling gebruikt.’
Wat het betekent, dat deze verwachtingen zijn uitgekomen, hoeft ze in de paragraaf Resultaten nog niet te benoemen. Daarvoor is de paragraaf Conclusies. Zo houdt ze de paragraaf Resultaten zo beknopt mogelijk.