Betekenisvol onderwijsonderzoek. Ervaringen van de ORD 2014

Even uit de losse pols wat ervaringen van de ORD in Groningen. Ik zag er wat tegenop, omdat ik de opbrengst van zo’n conferentie ten opzichte van de investering in tijd en geld (toch al gauw 600 euro belastinggeld voor mijn deelname) matig vind. Maar ik vond dat ik moest gaan: het is per slot het enige grote congres over onderwijsonderzoek in Nederland en Vlaanderen. Na een uur kwamen de vragen en ideeën, die ik vorig jaar ook al had, alweer naar boven. Ik zet ze hier op een rijtje en geef daarbij ook aan hoe ik denk dat het óók kan.

Format
Hoewel ik het heel leuk vind om allerlei bekenden en oud-collega’s weer te zien en te spreken, valt me onmiddellijk, op mijn eerste ochtend weer op, hoe ouderwets het eraan toe gaat. Ik bedoel, het is toch bedroevend dat we in 2014 nog steeds in een benauwd zaaltje naar dia’s op een scherm moeten kijken als het om kennisuitwisseling gaat? Het format is zo eenzijdig, er is zo weinig ruimte voor uitwisseling. Er kunnen nauwelijks vragen gesteld worden.

De presentaties kun je van te voren op internet zetten. Daar zijn legio mogelijkheden voor. De vragen die congresgangers hebben, kun je vooraf inventariseren, bijvoorbeeld via Twitter. Iedereen kan dan meelezen en meedoen. Op de sessie zelf kan dan een goede moderator een selectie van vragen maken en de onderzoeker in discussie laten gaan met aanwezigen.

Inhoud
Dan inhoudelijk. De aanpak in de presentaties is zo wisselend. De onderzoeksvraag is lang niet altijd helder. Methodologisch worden er essentiële epistemologische uitgangspunten impliciet gelaten. De resultaten en conclusies sluiten lang niet altijd aan op de vraag zelf. Onderliggende ‘grotere’ theorieën blijven onderbelicht.

Wat zijn de grote vragen die we te stellen hebben? Laat ik me beperken tot ons eigen gebied van het lectoraat. Hoe ontwikkelen leraren zich in hun beroepsidentiteit? Hoe zorgen ze ervoor dat ze betere docenten worden? Hoe is dat verbonden met hun persoonlijke ontwikkeling?
Hoe kunnen we daar zicht op krijgen? Sommige onderzoekers onderzoeken dat alleen met vragenlijsten, anderen alleen met interviews, zonder daar verder over uit te weiden wat je dan wel of niet te weten komt, en hoe het onderzoeksparadigma dat je hanteert, daarmee samenhangt. Een enkeling wel, maar al gauw gaat het dan weer over details in de uitvoering van het onderzoek.
De ‘strijd’ tussen paradigma’s lijkt ‘gewonnen’ te zijn door het positivistische paradigma. In de praktijk blijken er toch nog veel vragen onopgelost te blijven voor leraren (zie de volgende paragraaf). Totdat docenten ongeduldig onderzoeksresultaten uit de handen van onderzoekers rukken, lijkt het me verstandig om ook op het niveau van paradigma’s de discussie te blijven voeren.

Praktijk
De verbinding met de praktijk is soms ver weg. Het aantal ‘echte’ docenten in de zaal is op de vingers van één hand te tellen, of soms gewoon nul. Dat moeten we ons toch aantrekken als onderzoekers in het onderwijs? We presenteren toch niet alleen voor onszelf? Daar lijkt het nu soms wel op. Stel je een medisch congres voor, waar geen enkele praktiserend arts in de zaal zit.

Een van de prangende praktijkvragen in een presentatie was bijvoorbeeld: we weten dat leraren het beroep verlaten, omdat ze het soms moeilijk vinden om goed met leerlingen om te gaan. Hoe zorgen we ervoor dat leraren beter snappen wat er gebeurt in die relaties? Er gebeurt veel onderzoek met de VIL. Dat is voornamelijk een beschrijvend instrument. De theorie is, dat leraren ‘helpend/sturend’ moeten zijn, om ‘effectief’ te kunnen zijn.
Maar hoe kunnen leraren ‘helpend/sturend’ worden? Er zit geen knop op leraren, die je in die stand kunt zetten. Of je ‘helpend/sturend’ bent, hangt af van a) je eigen opvatting over wat helpend is en b) of dat door leerlingen als helpend wordt ervaren. 
Kortom: het is een subjectieve, gecontextualiseerde interactie, waarin betekenisgeving in wisselwerking plaatsvindt. Dat is een geweldig complex proces, waar we na 30 jaar interactieonderzoek nog niet een begin van een idee van hebben, hoe dat werkt.
Ondertussen doen docenten het wel, iedere dag opnieuw. Wat hebben we hun te bieden?

Betrekken van docenten
Al die onderzoekers sluiten zich drie dagen op in een conferentiecentrum. Ondertussen geven docenten gewoon les. Het interessante is, dat die zich tegenwoordig wel op de hoogte kunnen houden van wat er gebeurt. Ze reageren en stellen vragen via Twitter. Maar doen wij onderzoekers daar dan ook wat mee?

Er is geen docent die drie dagen vrij krijgt voor een wetenschappelijk congres. Nascholing van docenten is meestal één dag, of een halve dag. Onderwijs is in de kern een praktijk. Hoe kunnen we die praktijk dichterbij brengen in zo’n conferentie? Zou je bijvoorbeeld van iedere onderzoeker kunnen vragen een docent mee te nemen in de presentatie? Of een docent de presentatie te laten doen? Of op zijn minst ervoor zorgen dat vragen van docenten via sociale media gesteld kunnen worden en beantwoord worden?

Reacties welkom. Ervaringen van ORD-gangers die anders zijn, hoor ik ook graag.

         

5 gedachten over “Betekenisvol onderwijsonderzoek. Ervaringen van de ORD 2014

  1. Beste Hartger,

    Gisteren was ik helaas verhinderd, maar vandaag sloot ik me vol goede moed aan bij het congrespubliek (en ik had zelfs nog een poster). Ik deel je ambivalentie in deelname (twijfels over verhouding investeringen/opbrengsten) en kritiek richting de vormgeving van het congres, maar niet helemaal het gemis van docenten. Ik ben geen docent (meer), maar weet dat veel docenten juist de woensdag lesverplichtingen hebben. Ik heb vandaag veel docenten gesproken en zien presenteren van zowel papers als posters. Dat waren dan docenten uit het beroepsonderwijs (veel HBO, enkele MBO) . Dit levert een bijdrage aan dichterbij elkaar brengen van wetenschap en praktijk, maar laat mij tegelijk ook zien hoe groot die afstand (nog steeds) is, omdat de bijdragen grote verschillen in kwaliteit en/of karakter laten zien. Zo’n congres heeft voor mij vooral ook een netwerkfunctie. Daarnaast geeft de toename van het aantal deelnemende docent (hoe klein en langzaam ook) mij (een beetje) hoop. Nu nog de VO- en PO-docent, maar wellicht zoeken die de andere (effectievere) kanalen.

  2. Ik ben vanochtend weer onderweg naar Groningen. Tegen beter weten in. Het is dom, in een tijd waarin we weten dat we moeten reflecteren op wat een dergelijke investering oplevert, maar met een blind optimisme ben ik de afgelopen jaren steeds weer naar de ORD gegaan omdat ik dacht anders iets te missen. Nadat ik gisteren het idee kreeg om terug in de tijd te zijn gegaan en weer bij de ICO te zitten waar welwillende promovendi elkaar goedwillend van collegiale feedback voorzien, is de harde waarheid eindelijk tot mij doorgedrongen. Voor nieuwe wetenschappelijke inzichten voor de onderwijspraktijk moet je niet naar de ORD. Er zijn andere manieren van kennisdelen die veel meer opleveren. Jammer, want inderdaad Hartger, het heeft wel een heel groot reüniegehalte.

  3. Beste Carina, Linda,

    Dank je voor jullie reacties. Het is me duidelijk geworden dat er verstopt tussen het publiek toch meer docenten zitten dan ik dacht. Inderdaad vooral mbo en hbo, maar het is een begin. Gistermiddag was er een heel geanimeerde en goede postersessie waarbij ik in twee uur enkele heel interessante onderzoeken heb bekeken en besproken. Dat leerde mij weer dat zo’n informele, interactieve opzet veel beter werkt dan een statische presentatie. In die laatste vorm zit dan volgens mij bij nader inzien mijn belangrijkste bezwaar: dat levert heel vaak veel te weinig op.
    Op het terras (ja, dat hoort er ook bij) gistermiddag kwamen we ook tot de conclusie dat het aspect van de persoonlijke ontmoeting onmisbaar is. Conferenties zoals deze zullen dan nog wel blijven bestaan, de vraag is alleen hoe we ze efficiëntere gelegenheden voor kennisdeling maken én hoe we de praktijk, voor wie we het doen, er beter in betrekken.

  4. Hier wordt meermaals gesproken over de (on)zin van academische bijeenkomsten, deze plaat geeft het naamgevingsprobleem wel mooi weer. Ik kom dan uit bij een benaming ‘Annual meeting’, als alternatief voor de benaming ‘congres’. Misschien dekt dat de lading beter.

    Je legt – terecht denk ik – het verband tussen de afwezigheid van praktiserende docenten en dit paradigma. Er lijkt zeker sprake te zijn van een soort kloof. Tegelijk is het denken en praten over zo’n kloof natuurlijk inzichzelf al bestaansgrond voor die kloof, ongeacht of die er ook werkelijk is. Door deze post, geven we er al aandacht aan en lijkt het al snel of die kloof er is en ook nog eens belangrijk is om er iets van te vinden.

    Het ‘overbruggen van de kloof’ is iets wat de gemoederen natuurlijk al een eeuwigheid bezighoudt. Of het nu gaat over de early adoptors van ict in onderwijs, of over het verschil tussen theorie (academica) en praktijk, er lijkt altijd sprake te zijn van mensen die het licht hebben gezien en mensen die er maar niet ‘aan’ willen. Toch is dat ook een vrij modernistische kijk op de zaak. Is het werkelijk een kwestie van ‘niet willen’, is er sprake van het ‘oneens zijn met’ iets?

    Er kan natuurlijk ook een simpeler verklaring zijn. Iets wat enerzijds te maken heeft met bekendheid met en anderzijds met gelegenheid om naar een ORD te gaan bij de beroepsgroep. Iets wat niet eens zozeer iets te maken heeft met het opleidingsniveau van docenten in NL, maar nog meer met de hoeveelheid lesuren die onze kinderen maken in NL en de starheid waarmee de afgelopen jaren wordt gestuurd op ‘productie’ in het onderwijs. Meters maken, door meer toetsen, meer lesuren (1040!), diploma’s afgeven, CITO-scores, centrale examens in mbo, waarbij te pas en (vooral ook) te onpas begrippen als ‘professionalisering’, ‘zelfverantwoordelijkheid’ en ‘reflectieve beroepsgroep’ en ‘de lat omhoog’ worden gebruikt door beleidsmakers en politici. De goede verstaander op de werkvloer (de docent) weet wel beter, hij/zij weet wat er werkelijk bedoeld wordt met al deze mooie plannetjes. Het leidt niet tot meer professionele ruimte, maar bijna altijd tot een inperking. De focus op productie in het onderwijs leidt tot een steeds verregaande routinisering van het onderwijs. Het was natuurlijk in de beginjaren van de 21e eeuw ook het toverwoord: Onderwijs als bedrijf. Interessante vraag is natuurlijk, wat doet die focus op productie voor het reflecterend vermogen van de beroepsgroep? Wat gebeurt er vanuit die focus met mooie beloften over autonomie aan beroepsgroep, zeker t.a.v. professionalisering?

    En tot slot, hoe bekend is de ORD eigenlijk bij de beroepsgroep. In hoeveel vakbladen heeft een aankondiging / uitnodiging voor de ORD gestaan? Hoe zijn de ‘geijkte kanalen’ binnen het onderwijs gebruikt? Bv. via nieuwsbrieven van brancheorganisaties (PO-Raad, VO-Raad, Besturenraad, etc.). Wat zegt het als er geen docenten komen, als ze ook niet worden uitgenodigd.

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.