Onderwijs: doelen en middelen

Johannes Visser van De Correspondent publiceerde zijn ‘onderzoeksprogramma’ voor de komende tijd, en ik was geïntrigeerd door zijn eerste thema: ‘Onderwijs als markt en strijd’. Daar denk ik zelf ook regelmatig over na.
Een van de hardnekkige problemen met het onderwijs in onze samenleving is namelijk de verwarring over doelen en middelen. Het probleem is zo hardnekkig, omdat het nauwelijks herkend wordt als probleem. In de marktmetafoor, die we nauwelijks meer als metafoor herkennen, is onderwijs namelijk een middel geworden om een ander doel te bereiken: zoveel mogelijk geld verdienen.
Iedereen wil ‘het beste’ onderwijs. Sommigen zelfs ‘excellent’. Maar wat bedoelen we daarmee? Goed onderwijs gaat ook altijd over een visie op een toekomstige samenleving die we willen realiseren. En die visie, daar schort het nu net aan, dat maakt dit bericht over het oprichten van ‘haatscholen’ op de satirische site De Speld duidelijk. De OECD formuleert het wat formeler: ‘Evaluation and assessment are policy priorities in the Netherlands, but they are not embedded in a broader vision or strategy for Dutch education in the 21st century.’ Kortom: kunt je een ongeluk meten, maar de vraag is of wat je meet ook te maken heeft met de betere samenleving die we dichterbij willen brengen.

Paul Verhaeghe beschrijft in zijn boek ‘Identiteit’ overtuigend hoe de marktmetafoor zo diep in ons denken is verankerd geraakt, dat we nauwelijks in staat zijn om daar buiten te denken. We beoordelen vrijwel alle aspecten van ons leven in termen van winst of verlies, met het daarbij behorende jargon van scoren, (top)prestaties, marktaandeel, concurrentie en strategie (dat doet ook de OECD trouwens, maar dat terzijde).

Een mooi (of triest) voorbeeld hiervan is dit bericht dat ik tegenkwam op het weblog marketingfacts.nl. Maurice de Hond van de O4NT-scholen (beter bekend als de iPad- of Steve Jobs-scholen) wordt geïnterviewd. Het artikel begint met een analyse van wat er verkeerd gaat in wat kinderen nu leren op school, en de manier waarop, maar eindigt in een uitgebreide bespreking van het ‘business-model’. De schrijver lijkt pessimistisch over het project, omdat er nog ‘veel investeerders overtuigd moeten worden dat je met onderwijs ook geld kunt verdienen.’

Maar, naar mijn idee, moeten we met onderwijs helemaal geen geld willen verdienen. Onderwijs is een doel op zich, en geld is het middel, niet andersom.

Het is niet raar dat Maurice de Hond en vele anderen die verwarring niet opmerken, omdat zelfs in het jargon van de overheid onderwijs een middel is om geld te verdienen. Een diploma helpt je aan een betere baan, en als iedereen zo hoog mogelijk is opgeleid, zijn we in staat om de BV Nederland een goede concurrentiepositie te geven. Toch zou ik willen pleiten voor een omschakeling.

Wat we nodig hebben, is een goed beeld van de samenleving die we willen realiseren met goed onderwijs. De kinderen die nu op school zitten, vormen over 10 tot 20 jaar de samenleving. Wat wij ze nu meegeven aan ideeën, waarden en overtuigingen, zullen de grondslagen zijn van de manier waarop zij dan zullen handelen als ingenieur, arts, bankier, politicus en ondernemer. Of leraar. Waarmee de cyclus opnieuw begint.

Het gaat er dus niet (alleen) om, leerlingen de vaardigheden die ze nodig hebben voor de 21e eeuw, bij te brengen. Dan denk je vanuit de school als trainingsinstituut. En dan ga je automatisch nadenken hoe je met zo min mogelijk ‘investeringen’ in leraren, gebouwen en onderwijsmateriaal leerlingen zo veel mogelijk vaardigheden kan bijbrengen. Dan bouw je een prikkel in, om zo min mogelijk contacturen te organiseren en het onderwijs zo gestandaardiseerd mogelijk te maken. Met als bijkomend voordeel dat je die standaarduitkomsten goed kunt meten, zodat je makkelijk kunt laten zien hoeveel ‘resultaat’ je haalt.

Het gaat er ook (of misschien: vooral) om, na te denken hoe je leerlingen zich tot verantwoordelijke burgers kunt laten ontwikkelen. Burgers die straks een oplossing vinden voor de toenemende onenigheid in ons land. Economen die in staat zijn de uitgangspunten van onze economie te veranderen, zodat het opstoken van eindige energiebronnen niet meer als ‘groei’ wordt gezien. Politici die een oplossing voor de conflicten in het Midden-Oosten weten te bedenken. Niet omdat dat allemaal goed is voor de economie, maar omdat de wereld daardoor een fijnere plek voor iedereen wordt.
Als we daarover nadenken, wat daarvoor nodig is, dan zie je al snel dat je er dan niet bent met het standaardiseren van het onderwijs. Daar gaat het om het kunnen voeren van moeilijke gesprekken. Daarvoor is goed contact essentieel: het ontmoeten van elkaar in een school, het bespreken van verschillen, het leren van elkaars ervaringen. Om dat daarna ook buiten de school, in het ‘echte leven’ te doen.

Dat betekent, dat het aanhouden van de marktmetafoor niet alleen een beperking is om een betere samenleving te realiseren door goed onderwijs, maar daar zelfs lijnrecht tegenin gaat. Als geld verdienen namelijk het doel is, dan is het contact tussen leraren en leerlingen het middel. En geheel volgens de marktfilosofie zullen we dat contact minimaliseren om zoveel mogelijk rendement te realiseren. Het eroderen van de intrinsieke kwaliteit van het onderwijs is dus niet zomaar ‘bijkomende schade’, maar een onvermijdelijke werkwijze om ‘mee te kunnen doen’ met de ‘internationale ontwikkelingen’.

Dus het probleem dat Wim Kuiper van Verus onlangs in NRC Handelsblad aan de orde stelde, dat de overheid de verkeerde verantwoording van schoolbesturen vraagt is niet zomaar een lastig puntje, maar de kern van het probleem. We blijven hardnekkig vasthouden aan de marktmetafoor en verliezen uit het oog waar het eigenlijk om zou moeten gaan.

Willen we onderwijs uit het domein van ‘markt en strijd’ halen, dan is het enige dat helpt, dat wij zelf erop blijven hameren dat onderwijs niet het middel is, maar zelf het doel. Dus niet aan onze politici vragen wat onze ‘ranking’ op de PISA-lijst is, maar of het onderwijs bijdraagt aan empathie en wellevendheid, en het stimuleren van verantwoordelijkheid. Niet of iPads wel ‘effectief’ zijn, maar hoe scholen werken aan duurzame vernieuwing en innovatie. Niet of onderwijs wel ‘Passend’ is, maar of er geen leerlingen worden buitengesloten en afgedankt, voor ze zich goed en wel hebben kunnen ontwikkelen. Daar moeten de gesprekken over gaan.

Dat vraagt ook wat van ons, burgers. Maar niemand zei dat het gemakkelijk zou zijn.

         

3 gedachten over “Onderwijs: doelen en middelen

  1. De overvloed aan publicaties artikelen over onderwijs maken deze sector belangrijker dan die in feite is in de ontwikkeling van de jeugd. Bovendien, onderwijs is als zodanig niet passend en de leerplicht is verworden tot schooldwang; eerder maakt onderwijs dus meer kapot dan je lief is.

    Hoe belangrijk ook dat de actuele onderwijscontroverse wordt beslecht, hij zal de geschiedenis ingaan als een achterhoedegevecht. Een achterhoedegevecht binnen een onderwijsprovincie die door zijn ‘zelfreferentialiteit’ steeds minder door heeft wat er eigenlijk in de hele wereld te koop is. Vooral in de wereld waarin de jeugd opgroeit en zich ontwikkelt dankzij een brede range aan hele goede mensen die veel voor de kinderen en jongeren betekenen. Anders dan men in het schoolmeesterdom poneert zijn het niet de leraren, maar de ouders die het verschil maken. De belangrijkste professional in het leven de jeugd is in de eerste plaats de verloskundige, direct gevolgd door de kraamverzorgster.

    De uitdaging voor de 21e eeuw is hoe iedereen met een pedagogische opdracht, te weten ouders/familie/buren, beroepskrachten uit alle maatschappelijke en economische sectoren en de vele vrijwilligers met een pedagogische inzet hun (van nature gegeven) pedagogisch potentieel maximaal, individueel en als collectief aanboren, ontwikkelen en inzetten. Zodat de hele leefomgeving van de jeugd wordt erkend en geactiveerd als leeromgeving. Als dit gebeurt gaat elk kind en elke jongere fluitend de 21st Century Skills verwerven, en gaat dit land een mooi heden tegemoet. Nederland heeft dus ook niet een onderwijsimpuls nodig of een economische, maar een pedagogische impuls.

    Overigens is dit perspectief al goeddeels werkelijkheid, alleen binnen het schoolmeesterdom, dat hele onderwijsconglomeraat van bewindslieden, ambtenaren, bestuurders, beleidsadviseurs, pseudo-experts, leerplichtambtenaren, onderwijsjournalisten, schoolleiders en zelfs -het spijt me dat ik het zeggen moet- ook heel veel goede en geëngageerde onderwijsgevenden, wordt dat niet gezien. Moet ik tot regelmatig tot mijn verbijstering vaststellen.
    Leraren vormen binnen dit veel bredere spectrum aan pedagogische geëngageerden een belangrijke categorie. Maar dan geldt ook noblesse oblige: dat ze excelleren in toewijding en in hun pedagogische en didactisch handelen, en dat ze een sterke externe oriëntatie hebben op hun bondgenoten in de andere disciplines en leefdomeinen die er toe doen voor de jeugd. Op beide condities valt nog wel het een en ander te verbeteren; dit aanpakken vraagt vooral moed van die leraren die beseffen dat het huidige onderwijsbeleid een ‘tirannie is die hen het hert doorwondt’.

    Dit perspectief najagen is in de eerste plaats het initiatief van al diegenen die zich dagelijks voor de jeugd inzetten en -daarvan afgeleid- een opdracht aan hun bovengestelden. De gemeentelijke overheid is hierbij van belang als regisseur, mits hij die positie ook met gevoel voor ieders belang en situatie invult, en met een sterke focus op outcome in plaats van op output. Een uitdaging ook voor Rotterdam, mijn geliefde woonstad.

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.