Over bèta’s en alfa’s

Alweer een stukje naar aanleiding van een stuk van Johannes Visser. Maar ik kan het niet laten. Johannes luidt vandaag de noodklok over het C&M-profiel in de bovenbouw van havo/vwo. Naar zijn idee kiezen te veel leerlingen een bèta-profiel en lopen zij straks het risico geen baan te kunnen vinden. Een paar associaties sprongen in mijn gedachten.
Zelf heb ik eind jaren tachtig mijn vwo afgerond met een vakkenpakket waarin zowel economie, geschiedenis, Latijn als wiskunde-B zat. Een bèta-cultuur-profiel zou je kunnen zeggen. Nog steeds heb ik spijt dat ik het advies van mijn vader om natuurkunde als 8e vak te nemen, niet heb opgevolgd.
Het interessante is, dat ik veel overeenkomst heb ervaren tussen Latijn en wiskunde B. Het was allebei puzzelen, en hard werken. Zowel voor Latijn als wiskunde gold (voor mij dan) dat iedere dag oefenen vrijwel noodzakelijk was om ongeschonden de eindstreep te halen. Maar het was het benutten van mijn eigen creativiteit, binnen een set strikte regels, wat ik het leukste vond aan beide vakken.

Waarmee ik wil zeggen, dat ik denk dat bèta’s niet per se a-creatief zijn. Mijn vrienden, die wel allemaal een bèta-profiel hadden, lazen dezelfde boeken als ik en konden heel goed meepraten over economische en historische ontwikkelingen. Dat bleef ook op de universiteit zo, waar huisgenoten die natuurkunde studeerden, of mathematische psychologie, ook geïnteresseerd bleken in literatuur en films.

Het punt met de bètavakken is, dat het, meer dan alfa- en gammavakken, oefening vergt. Het gaat hier om een kennisbasis die je niet makkelijk tot je neemt en waarbij de toepassing van alle regels nauw luistert. Dat kun je maar beter leren als je jong bent, want hoe ouder je wordt, hoe moeilijker je hersenen die ingewikkelde regels opnemen, en hoe minder tijd je hebt om ze in te oefenen. Daarna zijn er nog jaren waarin je de creativiteit om die regels goed toe te passen, verder kunt verfijnen.
Ik herinner me een natuurkundeleraar, die een veelbelovende leerling aan zijn bureau kreeg met de vraag of hij nou economie of natuurkunde moest gaan studeren. Hij antwoorde: ‘Natuurkunde, want dan kun je altijd nog econoom worden. Andersom gaat niet.’ Jaren later kwam hij hem tegen: de jongen studeerde economie én natuurkunde.

En ik herinner me een gastcollege bij organisatiepsychologie van een topman uit het bedrijfsleven. In de pauze dromden wij studenten rondom het katheder samen om iets van zijn succes op ons af te laten stralen. Iemand vroeg: ‘Wat moeten we doen om een succesvolle organisatieadviseur te worden?’ De man glimlachte en zei: ‘Wiskunde studeren.’ Dat had hij ook gedaan.

Vervelend misschien voor Johannes, maar zo is het. Het vroeg aanleren van een complex geheel aan regels en de discipline om die zorgvuldig toe te passen, heeft blijkbaar voordelen die in het latere leven zich uitbetalen.
Mijn dochter staat eind dit jaar voor de keus om een profiel te kiezen. Tot nu toe staat NTG bovenaan haar lijstje. Ik zal weinig doen om haar daarvan af te praten. Ik heb er het volste vertrouwen in dat zij er later een fijne baan mee zal kunnen vinden.

         

2 gedachten over “Over bèta’s en alfa’s

  1. Beste Hartger

    Ik geef jaar hier ten dele wel gelijk in, maar volgens mij zie je ook iets over het hoofd.
    Want natuurlijk zijn er creatieve bèta’s en ja, met een bèta-ondergrond kun je inderdaad nog van alles worden. De kern van het probleem dat Johannes aansnijdt is voor mij dat te veel leerlingen te weinig bewust kiezen.
    Zo heeft de ‘trek’ naar de natuurprofielen minder te maken met dat nuttige ‘puzzelen’ waar jij over schrijft, maar met het prestige: als je het kúnt doe je ‘N’, als niet, dan doe je ‘slechts’ M. Dat betekent óók dat er (te) veel kinderen zijn die al die natuurvakken maar nét kunnen bijbenen, zoals er bijvoorbeeld (m.n. op het HAVO) legio kinderen zijn die kunstvakken doen terwijl ze daar helemaal niet in geïnteresseerd zijn. Op mijn school, waar de combinatie N met Geschiedenis niet mogelijk is, maar het vak samen met Aardrijkskunde wel verplicht is voor EM, worstelen op die manier flink wat kinderen zich met tegenzin (en relatief lage cijfers) door de zaakvakken heen. Dat is jammer, want zonde van veel tijd en talent.
    Natuurlijk is het voor adolescenten (en andere mensen) lastig om goede (studie)keuzes te maken. Maar ik denk dat veel scholen ook wel meer werk zouden kunnen / moeten maken van LOB, bijvoorbeeld door leerlingen er al vanaf de brugklas bij te helpen op zoek te gaan naar hun interesses en talenten.
    Overigens weet ik niet zo zeker of ik het met Johannes eens ben dat ‘talen en creativiteit’ de toekomst hebben… Heb jij ‘Pakkenproletariaat’, over de aanstaande implosie van de middenklasse al gelezen?? Niet echt een vrolijk boek, want als de analyse klopt …

    1. Dag Alderik,

      dank voor je reactie. Je hebt gelijk waar het gaat om het al dan niet bewust kiezen. Daar zie ik zelf vooral een rol en verantwoordelijkheid voor ouders weggelegd. Hoewel niet iedere ouder die misschien zo ervaart of kan dragen. Daar moet school natuurlijk aanvullen waar mogelijk. Het boek over het pakkenproletariaat ken ik van naam, ik zal het eens lezen. The Economist schrijft hier ook met regelmaat boeiende stukken over.

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.