Over klasgrootte en lerarensalaris

The Economist over Education at a Glance:

Adam Still of GEMS thinks that many of the highest spenders have probably passed “peak efficiency”—the point at which more money brings diminishing returns. Andreas Schleicher, the data-gatherer who oversees PISA, reckons that differences in spending explain less than a fifth of the variation in countries’ outcomes. Such conclusions run counter to the claims of teaching unions, which generally argue that smaller classes and higher pay are essential if outcomes are to improve.

“Quality of teachers has a clearer impact than class size,” says Mr Schleicher. A rich country may decide to pay teachers well in order to get the best graduates into schools or to underscore its esteem for the profession. Giving teachers plenty of support as they enter the classroom, and continuing their training throughout their careers, will be more effective than increasing their numbers—and cheaper.

Je zou klasgrootte en salaris ‘hygiëne-factoren’ kunnen noemen: ze moeten op een aanvaardbaar niveau zijn, maar op een gegeven moment voegen ze niets meer toe. Noch aan motivatie van leraren, noch aan het leerresultaat van leerlingen.

Wat wel iets toevoegt, is de kwaliteit van verbindingen tussen mensen. Om te beginnen leraar en leerling, maar niet te vergeten ook leraren onderling. Onderwijs zou veel meer dan nu teamwerk moeten zijn. Welke groei is er nog mogelijk, als daar meer mee gaan doen? Het is niet moeilijk, het vergt alleen anders nadenken over hoe we onze tijd besteden in de school.

         

6 gedachten over “Over klasgrootte en lerarensalaris

  1. Beleidmakers zijn dol op zulke conclusies. Een beetje kleinere klas blijkt in onderzoek X geen verschil te maken op een afgenomen leesvaardigheidstestje; dus gooi maar vol die klassen, van PO via VO tot MBO.

    Miljarden gooien naar onderwijsbesturen blijkt boven een zeker punt ook al niets uit te maken voor onze nationale PISA-scores; dus afknijpen maar, die lerarensalarissen.

    Zulke povere ‘onderzoeksconclusies’ vormen een excuus om de ogen stijf dicht te houden voor reële gevolgen van klassenverkleining, lestaakverzwaring, salarisachteruitgang en een steeds lager kwalificatieniveau van leraren.

    Dat zich nauwelijks nog academici lenen voor het leraarschap? Soit.

    Dat binnen vijf jaar een derde van de kersvers opgeleide bevoegde leraren wegloopt? Soit.

    Dat de Nederlandse PISA-resultaten achteruitschuiven, terwijl die van vergelijkbare landen aanzienlijk toenamen? Soit.

    Dat er te weinig uitdagend onderwijs is voor de ‘excellente leerlingen’, of gewoon goede vwo-ers? Soit.

    Dat we van de hardstwerkende leraren van Europa (klassengrootte, lestaakomvang) nu verordonneren dat ze differentiëren en iedereen ‘passend onderwijs’ geven? Soit.

    Waarom ‘soit’? Omdat beleidmakers glunderend een paar onderzoekjes omhoog houden, die hun toevallig goed uitkomen.

    Ik moet nu even denken aan die komische woordvoerder van Saddam Hussein, die ons op teevee verzekerde dat Irak moedig standhield tegen de westerse agressor, terwijl we achter in beeld de Amerikaanse tanks Bagdad zagen binnenrollen.

    Verwaarloos de leraar. Stop hem vol met lessen en klassen, en bezuinig op zijn salaris. Het maakt ‘op een gegeven moment’ niets meer uit. Je hebt dan het dieptepunt bereikt. En dankzij de crisis is er toch nog een toeloop op de sector onderwijs.

  2. Beste Hannes,
    Ik geef graag ruimte aan reacties op mijn website, dus ik laat hem staan, maar ik vind wel dat je er nogal veel bijhaalt. Het maakt het mij lastig hier inhoudelijk op te reageren. Dat vind ik jammer omdat alleen van een goed gesprek we allebei wat kunnen leren. Hopelijk komt dat er nog eens van.
    groet, Hartger

  3. Ik kan trachten mijn kritiek zakelijker te formuleren (alhoewel dit onderwerp wel degelijk emoties opwekt). Daarbij richt ik mij op de twee topics die je in de titel van deze blog zette, en die je blijkbaar zelf op de korrel hebt: klasgrootte en lerarensalaris.

    Je citeert een m.i. dubieuze interpretatie van OECD-data door Still en Schleicher. Nee, geen feitelijke conclusie, een interpretatie. Op grond daarvan wordt in The Economist het standpunt van vakbonden over klasgrootte en lerarensalaris verworpen. Nee, niet feitelijk weerlegd, maar op diezelfde dubieuze gronden in twijfel getrokken.

    Hoezo dubieus? Omdat ‘countries’ expenditure on education’ een beroerde operationalisatie is van het lerarensalaris, laat staan klassengrootte. Neem nu Nederland. Onze publieke uitgaven aan onderwijs verdubbelden ruim tussen 1997 en 2010. Maar vanaf 1997 is de koopkracht van leraren juist afgenomen (mede door 4 à 5 jaar nullijn). En het aantal leerlingen per leraar behoort onveranderd tot de hoogste van de hele OECD, met name in het VO (zie p. 446 van de laatste ‘Education at a Glance’, 2014). Hogere nationale uitgaven leiden dus niét tot een hoger salaris, en ook niet tot kleinere klassen.

    Het is daarom raar om ‘expenditure’ direct op te vatten als uitgaven aan lerarensalaris en klassengrootte. En nog raarder om dat vakbondsstandpunt over deze twee aspecten te verwerpen op basis van die algemene ‘expenditure’. Het is alsof je je dochter kleedgeld geeft, zij dat goeddeels besteedt aan snoepgoed, en jij dan concludeert dat kleedgeld haar kennelijk niet beter in de kleren steekt, dus dat het wel wat minder kan. Daar laat je als ouder toch een verantwoordelijkheid liggen.

    Bovendien kon je in de afgelopen twee jaar berichten in diverse media lezen dat nogal wat Nederlandse schoolbesturen de gevolgen van bezuinigingen opvangen door klassen te vergroten. (Zie ook de categorie ‘Leerlingaantal per fte onderwijzend personeel’ op Vensters.) Ook de omvang van de lestaak staat onder druk. Zo tellen vrijwel alle stamgroepen op mijn school intussen 30 leerlingen, en geven mijn collega’s en ik allemaal een ‘gratis’ lesuur extra om het Amarantis-leed op te vangen (afbetaling van het Zuidas-debâcle). In de nieuwe CAO’s wordt de weg opengezet naar nóg meer lesuren per leraar, wat verkocht wordt als efficiency-argument.

    We moeten het in Nederland hebben van ‘berichten in diverse media’, omdat scholen nu eenmaal niet direct, structureel en publiek rapporteren over klasgroottes, lestaakomvangen en lerarensalarissen. ‘Vensters’ is verre van compleet, de presentatie van de data is misleidend (‘medewerkers’ i.p.v. leraren) en scholen zijn niet of slechts zeer moeizaam onderling vergelijkbaar. Daarbij heeft OCW de website ‘Onderwijs in cijfers’ opgedoekt, evenals de .

    In deze lijn ligt ook mijn laatste punt. De grote lijnen van het onderwijsbeleid van de afgelopen decennia hebben wel degelijk gevolgen gehad voor het leraarschap, maar die gevolgen worden niet of slechts moeizaam erkend. Dan zeg ik: beleidsverantwoordelijken sluiten hun ogen voor die gevolgen, en trachten ook andermans ogen gesloten te houden. De HOS-nota had gevolgen. De lumpsum had gevolgen. Het FuWaSys had gevolgen. De wet-BIO had gevolgen. De recente bezuinigingsnood op onderwijs (nullijn) had gevolgen. Beleid voeren zonder de gevolgen te erkennen, noem ik roekeloos.

    De feitelijke gevolgen zijn o.a. dat Nederland, in vergelijking met andere westerse landen, extreem weinig academici naar het onderwijs trekt (maar curieus genoeg jokken we tegen de OECD dat onze leraren allemaal universitair opgeleid zijn). Dat er, in vergelijking met 20 jaar geleden, een veel kleinere proportie van de onderwijsuitgaven naar daadwerkelijk lesgeven gaat (maar dat willen we niet weten, en scholen hoeven er niet over te rapporteren). Dat er, in vergelijking met andere landen, een extreem grote groep onbevoegden staat les te geven (maar dat wordt vergoelijkt, verdicht (‘benoembaar’), er wordt niet op geïnspecteerd, en scholen hoeven er niet over te rapporteren). Dat er, in vergelijking met andere landen, erg veel beginnende leraren met een duurverdiend diploma op zak na enige jaren weglopen uit de klas (andere functies binnen en buiten het onderwijs betalen beter en kennen minder nadelen, de leraar staat op de laagste sport van de salarisladder). Het leraarschap blijkt in Nederland meer en meer overgelaten aan mensen (de facto vrouwen) die de taak slechts in deeltijd aanvatten, omdat full-time voor weinigen is vol te houden, en mede daarom geen kostwinnersalaris oplevert. En tot slot: dat Nederland onveranderd de laagst gekwalificeerde (20.000 onbevoegden) én hoogst belaste leraren heeft van de hele OECD (klassengrootte x lestaakomvang). Maar dat speelt blijkbaar geen enkele rol bij de geformuleerde c.q. opgelegde ambities: er moet worden gedifferentieerd, we moeten in de PISA-toptien, er moet worden lesgegeven volgens Inspectienormen, leraren moeten massaal aan het peer assessment en het register. En, o wonder der wonderen, per 2017 ‘zijn alle leraren bevoegd’, verordonneerde laatst ons parlement.

    Zulke lokale (want nationale) kwesties zien Still en Schleicher niet. Dat snap ik. Als buitenstaanders zien zij alleen dat Nederland veel publiek geld naar de scholen schuift. En ze zien dat Nederland niet vooruit gaat qua onderwijsprestaties. Het is jammer, want onterecht, dat The Economist op grond daarvan conclusies trekt m.b.t. klasgrootte en lerarensalaris. Wetenschappelijk onderzoek naar die twee aspecten is bepaald niet eensluidend, bepaald niet zomaar valide, en bepaald niet zomaar toepasbaar op de Nederlandse situatie.

    Dat is de uitgebreidere, en wat zakelijker variant van mijn eerdere bericht.

  4. Dank je Hannes. Dat is inderdaad een zakelijk en zeer grondig onderbouwd antwoord. Je zorgen over het aantal onbevoegden, en vooral de onduidelijkheid daarover, deel ik. Naar mijn mening is een sterke beroepsgroep een basisvoorwaarde voor verbetering van het onderwijs in Nederland. Het toelaten van onbevoegden tot dat beroep draagt daar niet aan bij en zou tot het uiterste voorkomen moeten worden. Of het zo is, dat besturen bewust liever onbevoegden voor de klas zetten, omdat dat goedkoper is, betwijfel ik. Althans voor het bestuur waar ik in zit, zou dat onacceptabel beleid zijn.
    Naar mijn mening, en dat is niet om de bal terug te spelen, is de tijd rijp voor een krachtige beweging van bevoegde leraren, die samen één sterke beroepsgroep vormen om de waarde van hun werk te beschermen tegen allerhande externe deskundigen (waar ik er een van ben) die er een mening over hebben. Het ontbreken van die stem op allerlei plekken, maakt dat leraren speelbal zijn van clubs die ook andere belangen hebben dan de kwaliteit van het leraarsvak te beschermen.

    Ook de vraag waar het toegenomen budget naar verdwenen is, deel ik met je. Alweer, als ik naar ons eigen bestuur kijk, zie ik nergens op de begroting extreme uitgavenposten. Sterker, we hebben enorm bezuinigd op allerlei beheersmatige posten, omdat de 80% van het budget dat naar lerarensalarissen gaat langzamerhand stijgt (ondanks de nullijn krijgen leraren nog wel periodieken bijvoorbeeld), terwijl de lumpsum niet geïndexeerd is. Op onze begroting zit 1-2% marge. Dat houdt in, dat als we volgend jaar ongeveer een klas minder hebben (op 13 scholen), we een negatieve begroting hebben.

    Dit stukje ging erover, dat we ons niet alleen moeten fixeren op klasgrootte (en lerarensalaris), omdat uiteindelijk de voldoening die leraren halen uit hun werk, uit andere bronnen komt. De klasgrootte en het lerarensalaris moeten wel op een acceptabel niveau zijn. Waar dat nog niet zo is, moeten we er wat aan doen. En tegelijk moeten we wat doen aan de verbinding tussen mensen in het onderwijs, want daar valt het volgende niveau van kwaliteitswinst te behalen.

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.