Kantelaar of niet–dat is het punt niet

Full disclosure: ik zit bij het groepje mensen dat onder de naam United4Education probeert de transitie in het onderwijs zichtbaar te maken en initiatieven te verbinden. Je zou me daarom een ‘kantelaar’ kunnen noemen. Dat is in de ogen van sommigen een diskwalificatie, als ik de reacties op internet lees. Maar door met elkaar te kibbelen over wat de goede woorden zijn, lopen we het risico met z’n allen weer in dezelfde valkuil te vallen: we plakken labeltjes wie ‘goed’ en ‘fout’ is in het denken over onderwijsvernieuwing, en vergeten dat we iedereen in het gesprek nodig hebben. Geen enkele groep kan in z’n eentje het onderwijs veranderen. Het is juist nodig over onze verschillen van inzicht heen te stappen, om te laten zien hoeveel moois er al gebeurt. Dat wil ik hier uitleggen. 

Onder de radar van de publieke aandacht voltrekt zich in het onderwijs een fundamentele verandering. We zijn niet ver van het moment waarop vele kleine veranderingen een onherroepelijke verschuiving in het onderwijssysteem te weeg gaan brengen. Toch is hierover in de landelijke media maar weinig te lezen en te zien. Dat is vreemd, omdat voor allerlei domeinen in de samenleving verandering van harte wordt toegejuicht. Alleen als het om de onderwijssector gaat, wordt vernieuwing, zeker sinds het rapport-Dijsselbloem, als verdacht weggezet. Daarmee wordt niet alleen de inspanning van veel leraren, die dagelijks aan verbetering en vernieuwing van hun onderwijs werken, tekort gedaan, maar ook een kans gemist om de fundamentele discussie over goed onderwijs terug te brengen waar die hoort: in het hart van de samenleving.

De afgelopen jaren zijn veel scholen zich, ondanks alles, aan het ontwikkelen tot flexibele, leerlinggerichte organisaties, en leraren tot een steeds zelfbewustere beroepsgroep. Het is nu hoog tijd dat die ontwikkeling duidelijker naar voren komt in het publieke debat. Want het geldt niet voor alle scholen, en niet voor alle leraren. En willen we als samenleving het echt over ‘goed onderwijs’ hebben, dan hebben we iedereen in dat gesprek nodig.

Zwartepieten achterhaald

Dat gesprek willen we met United4Education opnieuw mogelijk maken. We zijn op 1 oktober van start gegaan om zo veel mogelijk initiatieven die nu al bestaan voor onderwijsvernieuwing te verbinden en versterken. Een belangrijke inspiratiebron vormt het gedachtegoed over transities van Jan Rotmans. Door bestaande losse initiatieven bij elkaar te brengen in zogenaamde transitiepaden om de beweging die al bestaat, te versterken. Zo kunnen we gebaseerd op goede voorbeelden, en stevige praktijkervaring een constructief gesprek aangaan over wat er werkelijk aan de hand is in het onderwijs.

Want in het publieke debat over onderwijsvernieuwing wordt nu vooral gesproken over de extreme gevallen. En wat er dan vaak gebeurt, is dat er wordt ingegaan op de plekken waar het misgaat. En dan is het vaste stramien: wie is er schuldig? De studenten als zesjeslijers? De ouders als aasgieren? De zelfgenoegzame leraren? Zakkenvullende bestuurders? Falende toezichthouders? Opportunistische politici? Incompetente adviseurs? Ze komen allemaal wel eens langs, en krijgen er van langs. En dus ook de ‘kantelaars’.

Maar het interessante is: die vernieuwingen gaan gewoon door, op heel veel scholen. En met 95% van de scholen is weinig aan de hand. Het gaat maar zelden echt mis. Zwartepieten over problemen is daarom achterhaald, het zou nu moeten gaan om het bundelen van krachten, het zichtbaar maken van wat er is, elkaar inspireren en waar nodig verder helpen, om zo samen onze toekomst als samenleving vorm te geven.

 Systeem is op zijn eind

Docenten, ouders en leerlingen op lokaal niveau doen dat allang. Op heel veel scholen in basis- en voortgezet onderwijs wordt er bijvoorbeeld gewerkt met vormen van zelfstandig werken door leerlingen, bijvoorbeeld door de inzet van tablets en laptops. Uit een recente peiling van Kennisnet bleek dat 30 procent van de scholen daar inmiddels mee werkt. Dertig procent! En daar gaat het vaak niet alleen om de technologie, maar vooral om het aanboren van de intrinsieke motivatie van leerlingen. Veel middelbare scholen hebben het klassieke 50 minuten-rooster losgelaten, of de gangbare indeling in schoolvakken, niet omdat dat efficiënter is, maar omdat het een betere pedagogische relatie tussen leraar en leerling mogelijk maakt. Op veel middelbare scholen zijn ouders en bedrijfsleven actief betrokken in het opzetten en uitvoeren van projecten. Mbo en hbo zijn de laatste jaren in een snelkookpan van verandering bezig hun onderwijs te flexibiliseren, om beter tegemoet te komen aan wensen van het werkveld.

Toegegeven, het leidt nog niet altijd tot een voor ieder optimaal resultaat. Maar iedereen zal het erover eens zijn, dat we niet terugkunnen naar hoe het ooit was. De teneur in het publieke debat is, zeker sinds Dijsselbloem, dat we terugmoeten naar de ouderwetse leraar, met een krijtje voor het bord. Maar kijk eens hoe de manier hoe we met elkaar communiceren, hoe we leren, hoe we onze informatie verzamelen de afgelopen 15 jaar totaal veranderd is. Reisbureaus verdwenen, afstanden verschrompelen, omroepen en kranten dreigen te verdwijnen. Het is een illusie te denken dat het onderwijs daar immuun voor is.

Voor het primair en voortgezet onderwijs is het cliché van een vaste klas van 26 leerlingen, die stil op hun stoel luisteren naar de uitleg van de leraar, waarna ze aan de slag gaan met opdrachten uit het boekje, is steeds minder de dagelijkse werkelijkheid. Niet alleen zijn de klassen tegenwoordig groter, maar ook wordt er volop gewerkt met flexibele groepen, instructie in kleine groepen, samenwerking tussen leerlingen en onderwijs in geïntegreerde projecten, waarmee gangbare schoolvakken worden gecombineerd. In het hoger onderwijs wordt naarstig gezocht naar manieren om het onderwijs ‘blended’ te maken, om zo tot een optimale mix van massa-instructie via internet en persoonlijke vorming via direct contact tussen docent en student te komen.

Deze ontwikkelingen zijn spannend, maar onvermijdelijk. Want dit onderwijssysteem is bijna op zijn eind. Financieel is het nauwelijks meer vol te houden, zo blijkt uit de alarmerende jaarrekeningen van steeds meer schoolbesturen en onderwijsinstellingen. Onderwijskundig wordt het steeds lastiger om in deze opzet recht te doen aan de verscheidenheid van alle leerlingen. En maatschappelijk gezien kunnen we niet terug naar de ouderwetse verticale gezagsrelatie tussen leraar en leerling.

Reëel bestaande innovatie

Dus scholen moeten wel. En doen dat ook al heel lang. Het is eigenlijk vreemd dat we nog steeds over ‘vernieuwende’ scholen praten, terwijl ze al tien jaar of nog veel langer bestaan. Zie bijvoorbeeld het IJburg College in Amsterdam (10 jaar), het UNIC in Utrecht (ook 10 jaar), of het Montessori College in Nijmegen (20 jaar). En op de Léon van Gelder in Groningen zijn de principes van de verguisde middenschool 35 jaar na dato nog springlevend. Sterker, op het Tiener College in Gorinchem zijn ze een stap verder gebracht.
In het hoger onderwijs heeft de toegenomen toetsbureaucratie na het Inholland-schandaal veel aandacht gekregen. Tegelijkertijd vinden hier prachtige innovaties plaats, veelal kleinschalig, toegesneden op het werkveld, in kleine verbanden van docenten, studenten en samenwerkende bedrijven. De in academische kringen nog steeds met enig dédain beschouwde lectoraten blijken hier in veel gevallen katalysatoren van vernieuwing.

Mensen die in de onderwijswereld werken, zullen de voorbeelden herkennen, en kunnen er zo nog een paar bij noemen. Want er is bijna geen school waar niets gebeurt. Maar waarom is daar dan zo weinig over bekend? Waarom zien we daar zo weinig over in kranten en op tv? Waarom gaat het daar altijd toch weer over de scores op citotoetsen en examens, over ‘hoog’ en ‘laag’ en hoe iedereen toch vooral zo ‘hoog’ mogelijk kan komen?

Mogelijk heeft het ermee te maken dat we onderwijs zijn gaan zien als een mechanisch-industrieel proces, waarin effectiviteit centraal staat. De school die tegen de laagste kosten en inspanningen van leraren de hoogste cito- en examencijfers haalt, is het meest ‘effectief’. Zo worden alle activiteiten op scholen dan ook beoordeeld. Schoolreisjes? Niet zo effectief, bovendien onnodig kostenverhogend voor ouders. Samenwerken? Alleen als het tot betere eindcijfers leidt. Tablets in de klas? Dat lijkt verdacht veel op experimenteren met kinderen. Met boeken en een bord weet je tenminste wat je hebt.

Scholen en onderwijsinstellingen moeten ook de hand in eigen boezem steken. We zijn niet immuun gebleken voor dit jargon. Ook in mijn eigen hogeschool wordt over ‘product managers’ gesproken, als het gewoon over onderwijscoördinatoren gaat. De aandacht voor cijfers, en het bijbehorende toetscircus is zo sterk geworden, dat studenten nauwelijks te bewegen lijken voor activiteiten die niet ‘voor een cijfer zijn’. In dit discours van investeren en presteren, van aanpakken en scoren, is dat ook niet zo vreemd. Net zo min dat is het vreemd is als ouders in het basisonderwijs dreigen scholen een proces aan te doen, als er niet ‘geleverd’ wordt, omdat hun kind een lage citoscore dreigt te krijgen. Dat hebben ze geleerd, uit de krant en van de overheid, die ook voortdurend hameren op prestaties. Het heeft dus niet zoveel met die studenten of ouders te maken, maar vooral met de manier waarop wij als samenleving gewend zijn geraakt over onderwijs te praten.

Menselijke maat

We hebben met zijn allen uit het oog verloren, dat alleen maar praten over prestaties een veel te smal venster op onderwijskwaliteit biedt. Onderwijs dient namelijk ook andere doelen: socialisatie bijvoorbeeld, en persoonsvorming. Daarvoor zijn zaken als samenwerken en schoolreisjes heel nuttig. Het vervelende is alleen, dat die zich niet zo makkelijk laten meten als de cognitieve doelstellingen van het onderwijs. Maar het tij is aan het keren. De Onderwijsraad heeft bijvoorbeeld voor volgend jaar expliciet het ‘zichtbaar maken van moeilijk meetbare onderwijsresultaten’ in haar werkprogramma opgenomen.

Die focus op de menselijke maat moet weer terug. Naast de onvermijdelijke aandacht voor onderwijs als bedrijf, waar salarissen gewoon betaald moeten worden, en gebouwen verwarmd en onderhouden, moeten we niet vergeten dat onderwijs in de kern een relatie tussen een leerling en een leraar is, tussen student en docent. En dat de kwaliteit van het onderwijs uiteindelijk daarop terug te voeren is.

Tegelijkertijd is het gesprek voeren over die relatie soms het moeilijkste wat er is. In al het gekrakeel over de vermaledijde reflectie op lerarenopleidingen, vergeten we wel eens dat die reflectie oorspronkelijk bedoeld is om de student zich bewust te laten maken van hoe zij in verbinding staan met hun leerlingen. Terecht is er kritiek op reflectie als ‘pseudotherapie’. Zo navelstaarderig zou het ook niet moeten zijn. We lijken alleen kwijtgeraakt hoe we op een betekenisvolle manier met elkaar kunnen praten over hoe we met elkaar omgaan. En dat geldt niet alleen voor studenten en docenten op een lerarenopleiding.

Een lastig gesprek

Dat gesprek, over de moeilijk meetbare kant van goed onderwijs, moet hoognodig breed gevoerd worden. Niet alleen volgend jaar door de Onderwijsraad en de experts en klankbordgroepleden die hij gaat spreken. Niet eens alleen in scholen, maar dat gesprek is relevant voor iedereen die belang heeft bij goed onderwijs. De hele samenleving dus. Want het onderwijs is niet van leraren, besturen, leerlingen of van de overheid alleen. De verandering vindt al plaats, en het is aan ons of we die mee willen vormgeven, of dat we die lijdzaam willen ondergaan.

Dus. Ik ben een kantelaar, for lack of a better word. Niet omdat ik de wijsheid in pacht denk te hebben, maar omdat ik zo graag een bijdrage wil leveren aan de verandering die plaatsvindt. Omdat ik al die leraren, leerlingen en schoolleiders die hun nek uitsteken, gun dat ze gewaardeerd worden voor de verantwoordelijkheid die ze op zich nemen om het onderwijs betekenisvoller te maken. En niet langer gemarginaliseerd worden doordat de vragen alleen maar over effectiviteit lijken te gaan.

Hoe moeilijk ook, we zullen ons met z’n allen telkens open moeten stellen voor de vraag wat we goed onderwijs voor onze toekomst vinden. Dat is de boodschap die we met het United4Education-initiatief willen uitdragen. Wie mee wil doen, is welkom. Het is geen makkelijk gesprek, maar wel noodzakelijk. Want het gaat over de toekomst van ons allemaal.

 

         

7 gedachten over “Kantelaar of niet–dat is het punt niet

  1. Hoi Hartger

    Ik ben een van die mensen die de term kantelen aan het wankelen heeft gebracht, en als ik je blog lees denk ik dat eens te meer met heel goede redenen gedaan heb. Misschien moet je dat blog van me (“De Kitsch van het Kantelen”) nog eens lezen, evt. ook het al iets oudere “Revoluties, Technologie en Bildung.”
    Waarom? Ik ben niet fundamenteel met je oneens als het gaat om de ‘afrekencultuur’ in het onderwijs en voor aandacht voor de ‘menselijke maat’. Maar voor de rest doe je in het bovenstaande blog precies wat ik eerder in mijn blogs hekelde:

    1) het creëren van een ondergangs- of revolutiestemming – niet gefundeerd op aanwijsbare feiten en/of enig historisch weten
    2) het roepen om verandering om de verandering – zonder richting of doel daarvan duidelijk te benoemen (en suggererend dat elke verandering een verbetering en vice versa)
    3) het willekeurig ‘linken’ van allerlei ontwikkelingen – pedagogisch, didactisch, technisch, bestuurlijk – zonder dat duidelijk is hoe die met elkaar en/of in verband met het “kantelen” samenhangen.

    Ik begrijp zo bijvoorbeeld dat je het ‘goed’ vindt dat scholen met ICT werken, en slecht wanneer zij bij krijtjes en boeken blijven. Ik weet niet waarop dat oordeel gebaseerd is, want je expliciteert niet wat dan precies je kwaliteitscriteria zijn. En als die die inderdaad meer pedagogisch ingevuld zouden moeten worden doet de techniek er toch niet per se toe?

    Nogmaals: ik vind het oprecht fijn dat veel mensen zich intensief bezighouden met het onderwijsdebat. Maar enig historisch besef en ook kritisch bewustzijn, bijvoorbeeld rond het (romantische) individualisme dat voorondersteld, geïmpliceerd wordt, lijkt me geen overbodige luxe. Ik kan me bovendien niet aan de indruk onttrekken dat er in kantelaarskringen (onbedoeld) een nogal elitair, middenklasse-perspectief op onderwijs wordt ontwikkeld c.q. dat de gelijkheidsvraag te weinig expliciet aan de orde is. In het licht van de discussie rond Bovens en de tweedeling is dat echter meer dan relevant.

    tot spreeks maar weer
    Alderik

  2. Hoi Alderik, dank voor je reactie! Roept om een tegenreactie. Dat ik ongefundeerd te werk ga, raakt me natuurlijk, en niet alleen als onderzoeker. Ik reageer daarom direct.

    1. De ondergangsstemming die ik creëer is gebaseerd op de waarneming dat dit onderwijssysteem niet langer voldoet voor de samenleving die we willen vormen. Allereerst financieel: veel scholen kampen met geldproblemen en dat zal de komende jaren niet beter worden. We moeten nadenken over andere vormen. En, nog belangrijker: heel veel kinderen worden nu uitgesloten. Op 11-jarige leeftijd doen ze de Entreetoets, die voor een groot deel bepaalt of ze ooit hoger onderwijs zullen kunnen volgen. Daarin is Nederland uniek in de wereld en hiervoor worden we ook bekritiseerd. Ons systeem is gericht op scoren en presteren, het zo efficiënt halen van zo hoog mogelijke cijfers en diploma’s, en wie niet mee kan doen, valt af. Dat vind ik een ernstige zaak en ik wil er alles aan doen om andere doelen van het onderwijs centraal te stellen. En ik voel urgentie, want ieder jaar dat we wachten, is weer een jaar verspeeld voor kinderen die nu op school zitten.
    2. Het doel wat ik zou willen stellen van de verandering die ik voor ogen heb, is dat ontplooiing van ieder kind naar zijn mogelijkheden daadwerkelijk centraal wordt gesteld. In scholen, in beleid, en in onderzoek. En niet alleen de effectiviteit van het leerproces. Voor bronnen verwijs ik naar de universele Rechten van het Kind uit 1989 en de Verklaring van Salamanca uit 1994. Daarin staat het helder en duidelijk, alleen we doen er zo weinig mee.
    3. Als het gaat om het linken van pedagogische, technische, bestuurlijke en andere ontwikkelingen, dan zou ik de pedagogische lijn centraal willen stellen. Hoe gaan wij met elkaar om? In het hier en nu? Die vraag kun je altijd, overal stellen, op ieder moment, en in iedere kring. Daaruit volgen alle andere ontwikkelingen.

    Het historisch besef is er bij mij zeker, hoewel ik geen historicus ben. Maar kijk eens terug naar de onvoorstelbare toename in onderwijsdeelname sinds de Mammoetwet en de verbeterde toegankelijkheid van het hoger onderwijs. En neem in aanmerking dat de kern van de didactiek nog niet veel veranderd is sinds het einde van de 19e eeuw. En bekijk dat we in Nederland een unieke geschiedenis hebben van onderwijs dat grotendeels vanuit het weer in ere herstelde maatschappelijke middenveld is ontwikkeld. En dan laat ik internet wel even zitten. Naar mijn idee zijn dat wel een paar lijnen die aanleiding geven om de positie en de vorm van het onderwijs anno nu nog eens grondig te doordenken.
    Juist vanuit de gelijkheidsvraag: ons onderwijs is nog altijd verkapt een elitair systeem. Ik baseer met op Verhaeghe en Biesta om te pleiten voor ruimte voor persoonsvorming, waarmee we onze leerlingen kunnen opvoeden tot vrije mensen. Ik zie nu te veel scholen waarin impliciete socialisatie in het huidige meritocratische systeem voorop staat. Daarmee blijft de huidige tweedeling in stand, sterker nog: wordt deze vergroot.

    Over tablets versus krijtjes nog dit. Het bevreemdt me dat in beleid en onderzoek de vraag naar het nut en de effectiviteit van ‘ICT’ nog altijd gesteld wordt. Niet omdat ik vind dat ICT altijd goed is, maar omdat we beter kunnen vragen hoe we goed met ICT kunnen omgaan in de klas. Met die 30 procent bedoel ik dat te zeggen: ICT is er gewoon, en we voeren het verkeerde gesprek als we dat ter discussie willen stellen. Het gesprek zou moeten gaan over wat we goed onderwijs vinden, op een dieper niveau dan alleen de vorm.

    Wedervraag: zie jij vanuit aanwijsbare feiten dan aanleiding om vast te houden aan het bestaande? Hoor het graag. Hartelijks!

  3. Natuurlijk niet 🙂 Stilstand is achteruitgang.! I
    k heb de neiging direct te reageren, maar druk dat nog even onder.
    Toch wel even de betweter: selectie vindt in Duitsland en Duitstalig Zwitserland al op 10-jarige leeftijd plaats en dat met die 19e-eeuwse didactiek ik echt een flauw stereotiep. Zoek maar eens op, het Bell-Lancaster systeem. Is ook 19e-eeuws…

  4. Ha Alderik. Je blog (nog eens) gelezen. We zijn het eens. En het onderstreept mijn punt: we moeten het hier niet hebben of het woord ‘kanteling’ het juiste is. We moeten de woorden kiezen die duidelijk maken dat we ons onderwijs moeten ‘herbronnen’ (terug naar onze wortels=radicaal): welke doelen streven we ermee na? Welke samenleving staat ons voor ogen? Hoe gaan we daar nu aan bouwen, en voldoet ons onderwijs daar nu voor?
    Die laatste vraag zou ik persoonlijk met een hartgrondig nee willen beantwoorden. Omdat we er een systeem mee in stand houden, waarin de kinderen met de ‘beste’ uitgangsposities altijd winnen in een heel eenzijdige wedstrijd. De kanteling bestaat er voor mij dan uit, dat we dat ter discussie stellen en er een fundamenteel gesprek over voeren, met alle betrokkenen. Als ik de punten onderaan je weblog lees, is dat ongeveer wat jou ook voor ogen staat.
    Dus. Verder is Duitsland dan weer een selectief voorbeeld van jouw kant 🙂 Nederland én Duitsland zijn beide de landen waar het vroegst ter wereld wordt geselecteerd. In bijna alle andere landen wordt later geselecteerd.
    En met 19e-eeuws bedoel ik met name de busopstelling van 30 leerlingen op 28 m2, die ooit handig was, toen de leraar de enige informatiebron was in het lokaal. Dat is niet flauw bedoeld, ik zie die opstelling nog overal terug, zelfs in basisscholen. En ja, daar ben ik normatief in: als je kinderen de hele dag in die opstelling houdt, ga je volgens mij zeker die bredere doelstelling van onderwijs niet realiseren.

  5. Hoi Hartger

    Inderdaad, Hartger, we zijn het heel erg eens 🙂
    Mijn punt is dat retoriek en dramatiek onze zaak niet dient, dat heldere concepten en goede analyses – van het gehele veld, dus inclusief de effecten op socialisatie en kwalificatie & de economie – noodzakelijk zijn, en dat alles liefst ook met enig historisch besef van de mogelijkheden en grenzen van onderwijsvernieuwing. Maar zoals gezegd: ik hou ermee op en plein publique te hakketakken.
    Dank voor je verduidelijkingen – ik kom er nog wel eens op terug, met een blogje of zo 🙂
    Alderik

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.