Waarom toch altijd die dialoog?

Onlangs kreeg ik een mail met een mooie vraag, die hierop neer kwam: waarom zouden we altijd de dialoog moeten zoeken? Ik citeer er een paar stukjes uit:

Verandering vraagt ook dat mensen de waarheid durven zeggen, stelling durven nemen.

De muur in Berlijn is uiteindelijk niet gevallen als gevolg van de dialoog met het regime. De muur viel omdat mensen durfden hun mond open te doen, het prikkeldraad over klommen en daadwerkelijk stenen uit de muur haalden. Als de bevolking alleen maar in dialoog was blijven gaan met het regime, was er geen enkele steen verdwenen.

Het is mijn inschatting dat [verandering] meer gebaat is bij de waarheid (durven) zeggen, dan op een polderachtige manier met mensen de dialoog te zoeken, die helemaal geen dialoog willen. Het probleem is namelijk niet dat die mensen helemaal geen dialoog willen, ze willen de macht behouden. De status quo.

De suggestie van degene die mij schreef, was om ons, als het om verandering gaat, te richten op twee dingen: de waarheid benoemen, en positieve energie te genereren met nieuwe ideeën.

Ik heb deze mail even laten liggen om ‘erop te kauwen’ zoals dat heet. Want ik denk dat ik snap wat de schrijver bedoelt. En ik denk ook dat onze ideeën niet ver uit elkaar liggen. En toch blijf ik bij mijn pleidooi voor het belang van dialoog. Dat wil ik toelichten. Het heeft met twee dingen te maken: in de eerste plaats vanwege de kracht van de dialoog als vehikel voor menselijke ontwikkeling. In de tweede plaats omdat we het over onderwijs hebben.

Dialoog en ontwikkeling

Ik ben geen evolutionair bioloog, maar me dunkt dat de mensheid zich onderscheidt van andere dieren, doordat we metacognitie hebben. We kunnen denken over ons denken. We kunnen onze onmiddellijke impulsen onderdrukken. Impulsen die helpen om snel te reageren als een leeuw je bespringt op de savanne, maar die je niet ver brengen als je een bijl wilt maken, een kar, of zaad wilt veredelen voor een betere oogst volgend seizoen. Laat staan een auto ontwerpen of een besturingssysteem voor een computer.

In gesprekken willen we ook nog wel eens onze impulsen volgen. Daar is een mooi citaat over van Sjoerd Kuyper:

“[…] U heeft mij laten uitspreken, dat overkomt een mens nog maar zelden. Soms zie je iemand en je denkt: die luistert. Maar dan zie je de gespannen spieren in zijn kop en je weet: hij luistert niet, maar wacht zijn kans af, hij wacht op het moment dat hij bovenop het verhaal van de ander kan springen om het over te nemen. De kortste adempauze kan genoeg zijn, het kleinste woord een handvat.

[…] Daarom is het goed dat er kunst is. In kunst is één mens aan het woord. Je kunt niet gaan staan wachten tot je ook een streek op het schilderij mag zetten, of ook eens op de cello mag, of een eigen kwatrijn in een sonnet mag proppen. Wie naar kunst kijkt of luistert moet zwijgen, wie een boek leest moet zijn aandacht schenken aan een ander. Soms denk ik dat kunst de enige manier is waarop mensen nog contact met elkaar kunnen hebben. Ik denk dat vaak.”

Sjoerd Kuyper (Annie M.G. Schmidtlezing, 2009)

Een dialoog is in de kern een gesprek waarin we onze vaardigheden tot metacognitie en metacommunicatie maximaal inzetten, om een doel te bereiken, dat verder weg ligt dan onze onmiddellijke behoeftebevrediging. Er is één mens aan het woord, en net als bij een concert of het genieten van kunst proberen we ons met onze aandacht op de ander te richten, niet op ons eigen verhaal dat we zonodig moeten vertellen. Daarvoor is de eerste stap luisteren. Maar daar kom ik straks op terug.

Daarvoor is wel een voorwaarde, dat we beiden, in een dialoog, gericht zijn op een verder weg gelegen doel. Sterker, in een dialoog weten we allebei niet precies wat het doel eigenlijk is. Wel dat we elkaar nodig hebben om de situatie op te lossen. Want als we niet het idee hebben, dat we de ander nodig hebben voor een oplossing, hadden we het gesprek ook niet nodig. En dan zitten we een toneelstukje te doen. Veel communicatie bestaat dus uit toneelstukjes, maar dat is iets anders.

Een dialoog is trouwens niet altijd een fijn gesprek. Zelfs als we allebei de intentie hebben, naar elkaar te luisteren en ons in proberen te leven in het perspectief van de ander, kan een dialoog nog mislukken. De afstand kan te groot blijken. De woorden die we gebruiken, kunnen te zeer van elkaar verschillen. Dat kan pijnlijk zijn om te ervaren. Maar het is in ieder geval verhelderend.

Dialoog en ruimte

Ik maakte al eerder de vergelijking met een concert. Daar gaat het niet zozeer om de muziek, als wel om de ervaring van het samen naar een uitvoering luisteren.  Daarvoor zijn alle ingrediënten nodig: het bijeenzijn in de zaal, het vaste tijdstip van het begin, de live muziek, de uiterste inspanning van de musici, de concentratie van de toeschouwers—en het applaus achteraf. Haal er één weg, en de beleving wordt minder. De laatste noot is nog niet gespeeld, of een klaterend applaus barst los (meestal) en nog weer 10 minuten later staat iedereen al in een kakofonie van gekletst te borrelen, of erger: is alweer op weg naar huis. Toch neemt iedereen de intense ervaring van het concert nog dagen, soms zelfs weken- of maandenlang met zich mee.

Niemand vraagt zich af wat het concert heeft ‘opgeleverd’ of ‘hoe effectief het was’. (En als je dat wel doet, krijg je vermakelijke analyses zoals deze). Iedereen beseft dat alleen het er zijn, en het delen van de ervaring, al een waarde op zich heeft.

Zo is het ook met een dialoog. Een dialoog gaat niet zozeer over de ‘opbrengst’ of ‘effectiviteit’, maar meer om het delen van een ervaring. Zoals een concert of optreden ook ergens over gaat, een bepaalde spanning heeft, zo is dat met een dialoog ook: er staat iets op het spel. En het vasthouden van de juiste spanning, dat luistert nauw, alweer net als bij een optreden.

In mijn optiek zijn voor een dialoog een aantal ingrediënten nodig:

  • het loslaten van ieders eigen belang en een gelijkwaardige zoektocht naar het gezamenlijke belang
  • het inbrengen van een concrete, persoonlijke ervaring van een van de deelnemers, zo mogelijk van allen;
  • een houding van iedereen om eerst de ander te begrijpen, voordat hij/zij zijn eigen standpunt naar voren brengt;
  • rust en aandacht in het moment (een dialoog kan ook heel kort duren, als er maar aandacht is);

Er valt nog meer over te zeggen, maar dit zijn wel de basiskenmerken. Als deze worden aangehouden, ontstaat er ruimte in het gesprek. Want niet iedereen ‘springt er bovenop’ om zijn eigen punt naar voren te schuiven. En iedereen heeft aandacht voor de ander. Het bespreken van een concrete ervaring maakt het tastbaar en persoonlijk. Het verhaal wat iemand vertelt, over wat hij of zij heeft meegemaakt, maakt dat het cognitieve (de boodschap) verbonden raakt met het emotionele (de persoonlijke dimensie). De gesprekspartners kunnen de emotie navoelen, en zo ontstaat er een verbinding in het gesprek.

Een dialoog vraagt dus van alle gesprekspartners dat ze bereid zijn zichzelf een beetje bloot te geven. Als gesprekspartners geen persoonlijke verhalen inbrengen, blijft het gesprek zuiver cognitief. Dan is er geen emotionele band, en ontstaat er geen verbinding. Dan kunnen we ons ook in de praktijk slecht een voorstelling maken, van wat er besproken wordt. Dan is er kortom geen balans tussen hoofd, hart en handen. Dan is er geen dialoog.

Dialoog gaat dus over ruimte maken, telkens weer, ook in de dialoog zelf. De dialoog is een instabiele balans. Het ene moment is het er, het andere moment kan een verkeerde opmerking de kwetsbare sfeer ruw verstoren. Zoals een hoestbui een zachte passage in het concert kan verpesten.

Ruimte, opbrengst en onderwijs

In het Japans (heb ik mij laten vertellen) bestaat het woord ‘ma’. Dat is de creatieve energie van de tussenruimte. Zoals een bos bestaat bij de gratie van de ruimte tussen de bomen, en niet de bomen zelf. Door tussen de bomen te wandelen, ervaar je de energie die de boswandeling je kan geven. Zo is er ook in een dialoog sprake van ‘ma’, creatieve energie.

In de ruimte die geschapen wordt door de nauwgezette aandacht voor de gespreksvorm, ontstaan de nieuwe inzichten bij de deelnemers. Het gaat niet om de woorden zelf, of de besluiten, of de agendapunten, maar om dat wat er bij de deelnemers tot ontwikkeling komt. Dat is soms bijna niet onder woorden te brengen. Het gaat om inspiratie, energie, verbondenheid. Die wel heel waardevol kan zijn, maar die in onze zakelijke wereld minder hoog wordt aangeslagen dan de schijnbare opbrengst van het besluitenlijstje.

Het boeiende is, dat dit heel veel lijkt op wat er in het onderwijsproces gebeurt. Zeker sinds ik Gert Biesta’s boeken gelezen heb, zie ik parallellen met wat hij beschrijft als ‘subjectivering’. Hierin zit het woord subject, en dat heeft hier een dubbele betekenis. We zien de ander als gelijkwaardig, een subject zoals we onszelf ervaren; en we zijn onderworpen aan de interactie die ontstaat, als we in contact treden met die ander.

In een dialoog laten we iets van onszelf zien. We vertellen ons verhaal, en geven daarmee iets van onze gevoelens bloot. Dat kan bij de ander herkenning oproepen, waardoor er samen een nieuwe, gedeelde betekenis ontstaat. Maar het kan ook afketsten, er kan verwijdering ontstaan, afgrijzen zelfs, waardoor de betekenissen eerder verder uit elkaar komen te liggen. Dat hebben we niet in de hand. Maar het is enige wat we kunnen doen: telkens opnieuw de poging wagen onszelf in de ander te verdiepen, en iets van onszelf te laten zien om de ander de kans te geven aan te haken.

Dat dat soms, misschien wel vaak, mislukt, moeten we voor lief nemen. Denk ik.

Als ik anderen iets wil leren, of het idee heb dat anderen iets van mij zouden kunnen leren, dan helpt het in ieder geval niet als ik die ander ga overtuigen. Want zelfs al heb ik ze voor even overtuigd, als ze het niet doorvoeld hebben, niet werkelijk verbonden met hun eigen ervaring, dan zal het niet beklijven. Ik kan alleen vertellen wat ik belangrijk vind, en waarom, en de grenzen aangeven hoe ver ik wil gaan in het gesprek. En dan hopen op een mooie ervaring.

Dialoog en waarheid

Hoe zit het nu met die waarheid? Het mooie is, dat als we in dialoog zijn–echte dialoog–dat we dan alleen maar waarheid spreken. Dan bespreken we namelijk een ware gebeurtenis, zoals die zich in onze waarneming heeft voorgedaan, en onze gevoelens erbij. En gevoelens zijn altijd waar. Als het maar echt onze ware gevoelens zijn. Soms durven we niet onze ware gevoelens te uiten en hebben we het over iets anders. Maar dan spreken we geen waarheid.
Het vergt dus, in mijn ogen, juist moed (en soms heel veel) om een echte dialoog aan te gaan. Echt te zeggen hoe we ervaren hebben wat er gebeurde, wat we erbij voelden. En af te wachten hoe de ander daar op reageert.

Als dat is hoe we zouden willen dat onze kinderen, later als ze volwassen zijn, met elkaar willen omgaan, moedig de waarheid vertellen, is het beste wat we kunnen doen: dit nu voorleven.

         

6 gedachten over “Waarom toch altijd die dialoog?

  1. Ik vind je pleidooi voor dialoog mooi en de onderscheidingen verhelderend, maar ik lees iets anders in de vraag waarmee je begon: wat zou je dialogeren met mensen die niet willen dialogeren? Omdat ze het niet zien of omdat het hun belang niet dient?
    Dat is een vraag naar principiële ongelijkheid, in vermogens of in macht.
    Overigens ben ik er helemaal voor dat we onze kinderen, thuis en in het onderwijs, leren dat in de kwetsbaarheid van de dialoog juist onze kracht schuilt.

    1. Je hebt gelijk, ik kreeg die reactie ook al van anderen. Daar ben ik nog niet helder genoeg in, dat zou ik nog eens moeten uitwerken. Kort alvast: je kunt niet dialogeren met mensen die dat niet willen. Dus dan houdt het op. We moeten accepteren waar de grenzen van onze beïnvloeding liggen, zelfs al denken we zeker te weten dat wij het bij het rechte eind hebben. Ik denk wel dat door telkens vanuit een dialogische houding anderen te benaderen, er een moment komt, waarop de dialoog wel gaat slagen. De hoop daarop is voldoende om het vol te blijven houden.
      Macht is een ander thema, ook belangrijk. Daarover ging een ander bericht op dit weblog. Macht in dialoog is vooral een verantwoordelijkheid van de ‘machthebber’, om zich daarover te verantwoorden zodat het in het gesprek niet in de weg zit. Als iemand met meer macht dan een ander, die macht niet benoemt en zo de angel eruit haalt, laat hij/zij zichzelf niet zien en is er in mijn ogen geen sprake van een dialoog, maar een toneelstukje. Maar dat is nogal kort door de bocht hier. Mijn volgende boek gaat daarover 🙂

  2. Dit schreef Jos Kessels ooit over debat en dialoog:
    De jacht op een idee van Jos Kessels:(ISBN 978 90 8506 679 8)

    Er zijn mensen die oreren en betogen om een debat op gang te krijgen. Ze geloven dat waarheid en betekenis te voorschijn komen uit een conflict van meningen. Als zij nu maar hun eigen mening poneren en anderen de hunne daar tegenover stellen, is er een kans dat je samen verder komt. Dat klopt maar tot op zekere hoogte.
    Of je daarmee een idee kunt vinden is sterk afhankelijk van de toon van het gesprek. In een sfeer van louter oppositie, van heftige tegenspraak, of aanval en verweer, laat een idee zich namelijk niet vangen. Daarvoor zijn ideeën te fragiel, te subtiel, hoe sterk ze ook zijn. In een omgeving van louter antagonisme komen zij niet te voorschijn. Dialectiek vergt niet alleen debat maar ook dialoog.(..) Heftige tegenspraak leidt uiteindelijk alleen tot tegenzin of sprakeloosheid, niet tot schoonheid of verwondering over een onderliggende ordening

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.