Schaamte voor een angst die we niet begrijpen

Vanochtend las ik de column van Nausicaa Marbe in de Telegraaf. Ik vond hem schokkend, en werd boos, terwijl ik dat niet wilde. Toen merkte ik dat me ervoor schaamde, en dat vond ik een nog vreemdere gewaarwording.

Het ging over de kwestie dat op een school in Heemskerk een docent een cartoon had opgehangen, die mogelijkerwijs beledigend was. De directeur had de cartoon laten weghalen en had de docent gevraagd excuses te maken. Marbe beargumenteert in haar column dat dit een knieval voor intolerantie is. Immers, onze liberale democratie accepteert geen enkele invloed van religie op onze denkbeelden. Doen we dat wel, dan worden onze scholen, volgens Marbe, ‘vanzelfsprekend’ kweekvijvers voor totalitair denken.

De column maakte me woedend. Toen moest ik denken aan het ingezonden stuk van Abdelkader Benali in The New York Times, eerder deze week, en voelde ik schaamte.

Benali vertelt in dat stuk het verhaal, hoe hij als gematigde moslimjongen van 13 in de klas plotseling ongelooflijk boos wordt op zijn leraar, die de fatwa op Salman Rushdie afdoet als irrationele onzin. Het was, volgens die leraar, toch moeilijk te begrijpen hoe mensen beledigd zouden kunnen zijn door een fictief verhaal.
Benali begreep dat gevoel van belediging wel. Of liever: hij voelde die belediging wel, en het bracht hem buiten zichzelf van woede. En hij schaamde zich voor een woede die hij niet begreep. Hij wilde gewoon Nederlander zijn, opgaan in de groep, niet weggezet worden als moslim.

Mijn woede ging over het simplisme van waaruit Marbe het beter meent te weten dan die schoolleider: “Religie is altijd fout. Ratio is altijd goed. Uit religie komt alleen maar totalitair denken voort. De ratio is de enige bron van het goede verstand.”
De ervaring van Benali logenstraft deze redenering. Benali was (en is) geen fundamentalist. Hij was als jongen van 13 niet eens bewust religieus. Maar hij was een persoon, die plotseling als object werd behandeld. Hij was niet langer Abdelkader, hij was nog slechts een moslim, van wie gevraagd werd te ontkennen dat zijn geloof belangrijk voor hem was.
Op de school waar de cartoon verboden werd, zitten ook Abdelkaders. Als je het ze gaat vragen, kunnen ze een vergelijkbaar verhaal vertellen als Abdelkader. Verhalen die Laura Polder beschrijft op haar weblog.

De leerlingen op de school in Heemskerk hebben er recht op, gezien te worden als mens. Zij hebben, als mens, het fundamentele recht op een eigen levensovertuiging, hoe ze die ook noemen, en hoe expliciet (of niet) ze die ook beleven.Wanneer wij in ons onderwijs die levensovertuiging krenken, en leerlingen verbieden de gevoelens die die krenking oproept, te uiten, en zelfs hen te verplichten af te zien van die gevoelens, omdat die ‘niet rationeel’ zijn, dan bezondigen we ons aan totalitair denken.
Dan zijn we bezig objecten van onze leerlingen te maken, die we willen programmeren met een eenzijdige, ‘beste’ en onveranderlijke manier van denken, hoe zeer we ons best ook doen dat te verstoppen onder het kopje ‘liberaal wereldbeeld’.

In Gert Biesta’s nieuwste boek lees ik hoe hij onderwijs wil onderzoeken als ‘de schepping van de menselijke subjectiviteit’. Onderwijs gaat om subjectwording, om menswording. En de ‘schepping’ daarvan is volgens Biesta een risicovol proces, waarvan de uitkomst niet bij voorbaat vaststaat.
Het vragen van excuses door de schooldirecteur aan de leraar die de cartoon ophing, is geen knieval voor fundamentalisme, zoals Marbe denkt, maar een stap in het opnieuw erkennen van het menszijn van de ander: de leerling en zijn subjectiviteit. Daarmee wordt de dialoog weer mogelijk. En alleen met dialoog komen we verder.

Mensen die redeneren als Nausicaa Marbe vermijden de dialoog. Ze praten slechts vanuit hun eigen wereldbeeld en onderkennen niet de beperking daarvan. Wat we kunnen leren van de voorbeelden van Abdelkader Benali en Laura Polder, is dat we ons open moeten stellen. En in de dagelijkse praktijk die leerlingen, als anderen, als mensen opzoeken en ontmoeten. En dan het gesprek aangaan. Dat is moeilijk, want dat vraagt dat we ook onszelf laten zien, en het risico nemen dat we ons wereldbeeld bijstellen, waar we zoveel zekerheid aan ontlenen.

Dat is het risico, dat inherent is aan onderwijs. We moeten de moed hebben om dat risico te onderkennen, en tegelijk de virtuositeit ontwikkelen om daarmee om te gaan. Het laatste wat we moeten doen, is ons laten leiden door angst en die angst, onterecht, op leerlingen af te reageren.

Dat was mijn schaamte. Plaatsvervangend: voor een angst die ik niet begreep.

         

2 gedachten over “Schaamte voor een angst die we niet begrijpen

  1. Dag Hartger,
    Mooi stuk. Met de conclusie kan ik het alleen maar hartgrondig eens zijn. Maar waar mijn aarzeling zit: is het voor die dialoog in de school (staat trouwens niet in Amsterdam, maar in Heemskerk, maar dit geheel ter zijde) nodig dat er excuus gemaakt wordt. Daar zit een deel van de pijn, vermoed ik.
    Had het verplaatsen van de poster van het raam (naar buiten gericht) naar de muur van het klaslokaal (naar binnen gericht) met als doel het gesprek te voeren over die poster in de klas niet een beter gebaar geweest als start van de ontmoeting en dialoog? En daarbij zou het dan in eerste instantie moeten gaan over die krenking van gevoelens van de leerlingen.
    Gerritjan

    1. Oh dom van me. Ik verbeter het nog in Heemskerk. Wat je suggestie betreft: dat kan ook. Mijn punt is misschien dat we niet van buiten moeten voorschrijven hoe je het precies moet aanpakken, als we de situatie niet kennen. Er zijn verschillende manieren om hierop te reageren. Van belang is dat beide partijen evenveel erkenning krijgen voor wie ze zijn. Die balans is nu misschien weer wat doorgeslagen. Maar nogmaals daar kunnen alleen de betrokkenen zelf over oordelen.

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.