Doelen en middelen in de non-profit sector

De bezetting van het Maagdenhuis leek aanvankelijk niet meer dan een Amsterdams relletje, maar inmiddels is duidelijk dat dit protest niet meer genegeerd kan worden. Het is niet zomaar een stelletje links ongeregeld, maar het lijkt een symptoom van een breed gevoeld ongenoegen over de manier waarop het hoger onderwijs is verworden tot een geperverteerd systeem waarin cijfers, of het nu studentenaantallen of vastgoedeuro’s zijn, belangrijker zijn geworden dan de maatschappelijke waarde die de universiteit creëert. Dit hoeft natuurlijk niemand te verrassen, die de laatste 10 jaar de relevante kranten en weblogs een beetje heeft bijgehouden.

De onvrede richt zich op het college van bestuur, die van ‘rendementsdenken’ beticht wordt, waarmee de autonomie van docenten, om het onderwijs te geven en het onderzoek te doen, dat ze goeddunkt, in de verdrukking is geraakt. Hetzelfde geldt voor studenten: die worden als plofkippen door de studie gejaagd, waarbij met zo min mogelijk onderwijsuren zoveel mogelijk resultaat gehaald moet worden.

Ik denk dat die analyse niet helemaal klopt. Met rendementsdenken op zich is niet zoveel mis. Het hangt ervan af op welk rendement je je richt. Volgens mij is een kernprobleem de verwarring tussen doelen en middelen die ontstaan is, en die volgens mij door de actievoerders ook niet helemaal opgelost wordt. Om hier helderheid in te scheppen, is het goed te kijken naar verschillen tussen de profit-sector, commerciële bedrijven, en de non-profit sector, zoals het onderwijs.

Rendement in profit-termen

In de profit-sector zijn de eigenaren de aandeelhouders. Die aandeelhouders hebben vermogen geïnvesteerd in het bedrijf, en doen dat, omdat ze rendement verwachten. Het doel van een commercieel bedrijf is dus het maximaliseren van het rendement op geïnvesteerd vermogen.
Met welk middel dat gebeurt, dat maakt niet zoveel uit. Zijn computers in de mode, dan verkoopt een bedrijf computers. Blijken telefoontoestellen populairder te zijn, dan stapt het bedrijf over. Zo heeft Apple de afgelopen jaren een slimme omslag gemaakt en is nu het grootste bedrijf ter wereld. En zo doet Philips zijn lichtdivisie in de uitverkoop, nota bene het product waar het ooit mee begon.
In Eindhoven zal er misschien een traantje worden weggepinkt, als het zo ver is. Maar verder zal geen aandeelhouder de raad van bestuur erop aanspreken dat ze haar geschiedenis zou verkwanselen. Het is de taak van het bestuur van een bedrijf om erop toe te zien dat op lange termijn de bedrijfsactiviteiten voldoende renderen om het voor aandeelhouders een aantrekkelijke investering te laten zijn, en hier de activiteiten zo nodig op aan te passen.
De lastige kwestie voor het bestuur van een bedrijf is, hoe je op tijd nieuwe activiteiten vindt, om je beloofde financiële rendement aan de aandeelhouders te kunnen waarmaken.

Rendement in non-profittermen

In de non-profit sector zijn niet de financiële, maar de ‘morele’ eigenaren het belangrijkst. Dit zijn de mensen die ‘moreel geïnvesteerd hebben’ in de organisatie. Bijvoorbeeld de oprichters, maar goed beschouwd gaat het om iedereen die de specifieke doelstellingen van een organisatie onderschrijft, en bereid zich daarvoor in te zetten. Een vereniging is een mooi voorbeeld: de morele eigenaren van de vereniging zijn de leden ervan.
Voor een stichting (zoals een school of universiteit) is het wat lastiger, maar ook hier zijn er mensen te vinden die bereid zijn mee te denken over de doelstellingen van de stichting, en ervoor te zorgen dat ze op lange termijn bereikt worden. Verwar ze alleen niet met de klanten, of met de werknemers. Sommige klanten en werknemers kunnen overigens wel de rol van eigenaren aannemen, maar die rollen moeten ze dan goed kunnen scheiden. Zo zijn bij de Rabobank sommige klanten ook lid, en kunnen zich kandidaat stellen voor het bestuur van de plaatselijke bank. (Dat laat ook zien dat een bank heel goed zou kunnen functioneren als non-profit instelling, maar dat terzijde).

De crux van het verschil zit er in, dat voor een non-profit instelling geld niet meer dan het middel is, waarmee het doel bereikt wordt. Terwijl voor een profit-instelling geld juist het doel is, en de vraag naar de activiteit waarmee dat verdient wordt, op de tweede plaats komt.

Bij een non-profit instelling is het de taak van het bestuur om erop toe te zien dat de morele eigenaren het rendement (in morele) zin krijgen, wat ze verwachten. Bij een voetbalclub is dat bijvoorbeeld het spelplezier van jeugdleden, de clubliefde en het genieten van een fijn potje voetbal als speler of als toeschouwer. Bij een school gaat het om het ‘afleveren’ van goed opgeleide, breed gevormde leerlingen, die goed voorbereid zijn op een rol als verantwoordelijke burger in de maatschappij. Of goed opgeleide, vakbekwame, en kritische studenten die in staat zijn zich zelfstandig een oordeel te kunnen vormen over maatschappelijke problemen en hiervoor creatieve en constructieve oplossingen kunnen bedenken.

Rendement en meetbaarheid

Het bestuur heeft verantwoording af te leggen over dat rendement. Dat is deels meetbaar (in termen van gemiddelde cijfers bij het afstuderen, studenttevredenheid, hoe snel studenten een baan hebben en hoe veel ze daarmee verdienen) en deels veel minder goed meetbaar (bijvoorbeeld of studenten voldoende kritisch zijn, of zelfstandig, of creatief in de oplossingen die ze bedenken). Dat die aspecten van ‘rendement’ niet meetbaar zijn, ontslaat het bestuur overigens niet van de verplichting er wel verantwoording over af te leggen. Tenminste, als dat is wat de eigenaren van een school of universiteit verlangen. Om dat te weten te komen, zal het bestuur het gesprek aan moeten gaan met die eigenaren.

En de lastige kwestie voor een bestuur van een non-profitinstelling is dan, hoe je telkens op tijd nieuw geld vindt, om de activiteiten die zo van belang worden geacht voor de maatschappij, te kunnen bekostigen. Want in sommige perioden kan er makkelijker geld gevonden en gevraagd worden dan in andere perioden, en soms zullen de kosten hoger, en dan weer lager uitvallen.

Deze spraakverwarring over welk rendement van belang is, verklaart waarom mensen zo boos zijn, als een universiteit de kleine talen bij het oud vuil zet. Vanuit een profit-rendementsdenken lijkt het volstrekt logisch: dat levert niets meer op. Vanuit een nonprofit-rendementsdenken ridicuul: het gaat niet om wat geld oplevert, maar welke maatschappelijke waarde ermee gecreëerd wordt. Maar het laat ook zien dat een oplossing niet zo eenvoudig is: als we die kleine talen zo belangrijk vinden, hoe gaan we er dan met zijn allen voor zorgen dat het instandhouden ervan bekostigd wordt?
En welke aspecten van het bestaande onderzoek en onderwijs leveren zoveel mogelijk maatschappelijk, moreel rendement op? Zijn dat inderdaad nog steeds de kleine talen? Of is onze maatschappij toch ook veranderd, waardoor sommige studies niet meer van waarde zijn, noch financieel, noch moreel? Zo kun je in Utrecht geen theologie meer studeren, nota bene een van de oudste studierichtingen van onze beste Nederlandse universiteit. Er werd geen gebouw om bezet. Blijkbaar vinden we met z’n allen dat dat niet meer hoeft, theologie op een ‘openbare’ universiteit.
Maar wie gaat dat bepalen voor alle studierichtingen die er zijn? Het is een mooi ideaal om alle studenten en docenten te laten doen wat ze denken dat het beste is, maar ergens moeten we toch grenzen stellen. Financiële kaders zijn voor een non-profit instelling niet de hoofdmoot, maar je kunt ze niet negeren. Wie gaat die beslissingen straks nemen?

Oplossingen?

Daarmee komen we bij de vraag hoe het verder moet. Als oplossing wordt nu voorgesteld om studenten en docenten in het universiteitsbestuur plaats te laten nemen. Dat kan een oplossing zijn, als die studenten en docenten dan maar beseffen dat ze daar niet namens zichzelf zitten, als ‘klanten’ (of liever: begunstigden) en medewerkers van de universiteit, maar als vertegenwoordigers van het eigenaarschap. Dat eigenaarschap is breder, want dat ligt in de hele maatschappij, voor wie de universiteit een nuttige functie vervult.

Ook een student in het bestuur zal verantwoording moeten afleggen. Niet alleen over prachtig, waardevol onderzoek en onderwijs dat het nieuwe bestuur zal initiëren (of in stand houden), maar ook over de financiële kaders waarbinnen dat gebeurt. Naar mijn idee is het daarom van belang om een fundamenteel gesprek te voeren, ook op maatschappelijk niveau, wat we een wenselijk ‘maatschappelijk rendement’ van de universiteit willen. En hoe we zouden wensen dat een universiteitsbestuur daarover verantwoording aflegt.

Want we hebben het blijkbaar met z’n allen belangrijk gevonden, dat de universiteit sterk op outputcijfers en financieel rendement is gaan letten. Als we nu met z’n allen vinden dat het doorgeschoten is, wordt het tijd om daar samen wat aan te doen. De schuld, noch de verantwoordelijkheid voor de oplossing daarvoor, kunnen we niet eenzijdig op het bordje van de toevallige bestuurder van dienst leggen.

         

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.