Kwalitatieve methodologie: schrijven aan je proefschrift

Vandaag hadden we weer een intervisiebijeenkomst kwalitatieve methodologie. De deelnemende promovendi vroegen of ik mijn aantekeningen daarvan met hun wilde delen. Dat doe ik graag, en ik zet ze ook maar direct op mijn weblog, wie weet wie het nog meer interessant vindt. Het ging vandaag over schrijven.
Schrijven lijkt als activiteit voor de hand te liggen als je aan een proefschrift werkt. Toch is het gek genoeg ook het grootste obstakel om je proefschrift af te krijgen.

Hoe zorg je er nu voor dat je gericht, gestructureerd en voldoende effectief schrijft? Daar zijn hele boeken over volgeschreven (!) dus ik heb niet de pretentie hier het definitieve antwoord te geven.
Wat ik wil doen, is een paar handvatten geven, hoe je naar schrijven kunt kijken. Die helpen misschien om je eigen proces te structureren. Ik beschouw schrijven als activiteit voor je proefschrift op drie niveaus: macro, meso en micro.
Lees vooral ook de eerdere blogs die ik al geschreven heb over (wetenschappelijk) schrijven: deel 1, 2, 3 en 4.

Macrostructuur

De macrostructuur gaat over het opnemen van schrijven als activiteit in je totale onderzoeksplan opnemen. Meestal heb je zo’n vier jaar voor je promotieonderzoek. Daarin zul je grofweg de eerste twee jaar gebruiken voor opzetten van je onderzoek, het lezen van (veel) literatuur en de bulk van de dataverzameling. De tweede twee jaar zijn dan voor de bulk van het analyseren en het schrijven.
Het is belangrijk dat je voor jezelf tijdig waarneemt, dat je die omslag maakt. Het kan een valkuil zijn om te veel data te verzamelen. Niet alleen gaat dat af van de tijd die je aan schrijven kunt besteden, het levert ook nog eens extra gegevens op, die weer geanalyseerd moeten worden. Het is dus belangrijk om niet te veel data te verzamelen. Kijk goed naar voorbeelden uit je domein, om te zien hoeveel gegevens gebruikelijk zijn voor een geslaagde promotie. Er zijn er, die promoveren op een beperkte serie interviews. En er zijn er, die promoveren op een kwantitatieve analyse met meer dan duizend respondenten. Aantallen respondenten zeggen niet direct iets over de kwaliteit van het proefschrift.
Dan is het verstandig voor je laatste twee jaar een schema te maken, met blokken van maanden en in het laatste jaar op het niveau van weken of zelfs dagen. Dat kun je doen aan de hand van de volgende vragen:

  • Hoe ziet je proefschrift eruit? Artikelen of hoofdstukken?
  • Hoeveel hoofdstukken worden het (ongeveer)?
  • Kun je de hoofdstukken al nader indelen? Welke deelvragen staan in de hoofdstukken centraal?
  • Wanneer wil je welke hoofdstukken klaarhebben? Als je artikelen schrijft; welke artikelen wil je op welk moment klaar hebben in een versie voor je proefschrift (het indienings- en reviewproces kan nog lopen op het moment dat je je manuscript samenstelt)

Die planning helpt je bij ‘compartimenteren’. Als je in maart bezig zou zijn met hoofdstuk 3, en in april over zou stappen op hoofdstuk 4, doe dat dan ook. Ook al is hoofdstuk 3 nog niet helemaal af. Leg het maar even aan de kant, en ruim in je planning ergens tijd in, om het opnieuw op te pakken. Je zult merken, dat je er dan met een frisse blik naar kijkt en sneller knopen doorhakt. Eindeloos doorgaan met zo’n hoofdstuk 3 brengt je in de knoei, want 10 tegen 1 dat je het ook in april niet afkrijgt, en dan heb je ook niets gedaan aan hoofdstuk 4.

In de tweede fase van je proefschrift is het ook belangrijk je te realiseren dat al je activiteiten nu in dienst staan van het schrijven. In het begin lees je nog ‘alles wat los en vast zit’. Dat moet je nu niet meer doen. Je moet telkens denken vanuit het verhaal wat je wil vertellen. Als je een interessant artikel ziet, kun je dat dan gebruiken? Zo ja, hoe dan? Maak onmiddellijk daar een aantekening van, of liever: schrijf onmiddellijk de alinea die je over dat artikel zou willen opnemen. Dat kost op dat moment wat meer tijd, maar je hebt dan direct de tekst die je in je artikel of hoofdstuk kunt opnemen. Vind je het niet de moeite waard, dan was het artikel blijkbaar niet belangrijk genoeg.
Dat geldt ook voor analyseren. Zeker bij kwalitatief onderzoek kun je onderscheid maken tussen een open en een meer gerichte fase van analyse. Als je na een eerste analyseronde een grof beeld hebt van waar het naartoe gaat, welk resultaat je wilt beschrijven, dan kun je in de analyses daarna gerichter te werk gaan, om te kijken of je die resultaten kunt verantwoorden. Tijdens de analyses schrijf je de duiding bij die resultaten direct op. Ook op die manier werk je onmiddellijk aan tekst die je in je verslag kunt gebruiken.
En blijf aantekeningen maken voor je logboek, om de gemaakte (denk)stappen te kunnen blijven verantwoorden en onderbouwen. Je merkt al: alles wat je nu doet, moet je zo snel mogelijk daadwerkelijk opschrijven. Het lijkt heel aantrekkelijk om ‘hard aan de slag te gaan’, en vooral te lezen en te analyseren, ‘meters te maken’, en het schrijven tot later uit te stellen, maar dan moet je eigenlijk dat leeswerk en analysewerk weer opnieuw doen. Naarmate je het einde (inhoudelijk en qua tijd) van je promotieonderzoek beter in zicht krijgt, kun je je dat niet meer permitteren.

Mesostructuur

Het tweede niveau is de mesostructuur, de structuur van het plannen van een artikel of hoofdstuk. Hierover heb ik al eerder een ander stukje geschreven. Ik herhaal hier nog even de basisopzet van een wetenschappelijke publicatie, die bestaat uit vier elementen:

  • theorie
    • aanleiding, inleiding
    • verkenning van literatuur en keuze voor concepten en perspectief
    • eindigend in (aangescherpte) onderzoeksvraag en deelvragen
  • methode
    • respondenten, instrumenten/databronnen, werkwijze en analyse
    • operationalisering van deelvragen in observeerbare ‘eenheden’
    • eindigend in verwachtingen/hypothesen
  • resultaten
    • beantwoording van deelvragen (nav theorie)
    • feitelijke constatering mbt verwachtingen (nav methode)
    • zo beknopt en to the point mogelijk, zeker bij kwalitatieve data
      • samenvatten verticale en/of horizontale analyse
      • evt samenvatten in tabel
      • werken met citaten als illustratie
  • conclusie
    • gevolgtrekking nav verwachtingen die al dan niet uitgekomen zijn
    • duiding/interpretatie (‘discussion’, dat is een open bespreking, niet zozeer een debat, zoals wij het woord ‘discussie’ wel eens opvatten)
    • bespreking van beperkingen van je onderzoek
    • eventuele suggesties voor vervolgonderzoek

Je werkt heen en weer tussen deze onderdelen, te beginnen vanuit de onderzoeksvraag en een bijpassende schets van je resultaten. Vandaaruit ga je de methode beschrijven (wat heb je nodig om de resultaten verantwoorden), en de bijbehorende theorie beschrijf je pas op het laatst. In ieder geval niet als eerste, omdat je het risico loopt eindeloos theorie te blijven beschrijven, zonder dat je weet waar je uiteindelijk naartoe wilt.
Je artikel of hoofdstuk heeft een boodschap: je wilt iets laten zien, een bepaald resultaat of inzicht overbrengen. Daarom start je het best vanuit je resultaten: wat heb je te presenteren? Wat is er zo interessant? Van daaruit redeneer je terug naar wat je daarvoor nodig hebt aan verantwoording en onderbouwing in theorie en methode. Dan tot slot schrijf je de conclusies.
Het lijkt soms alsof je theorie precies uitkomt bij de data die je hebt geselecteerd. De kunst is dan, om de lezer mee te nemen in een deel van je eigen denk- en ontwikkelingsproces. Hoe begon je? Wat van je initiële verwachtingen kwam wel uit, wat niet? Wat waren nieuwe inzichten die je gaandeweg opdeed? Die ontwikkeling kun je beschrijven, waarbij je ook kunt aangeven op welk moment in de analyse je aanvullende theorie hebt gebruikt om de tussentijdse resultaten nader te duiden. Zo kun je verantwoorden hoe je te werk bent gegaan. Daarom is het zo belangrijk een logboek bij te houden, zodat je je eigen stappen en ontwikkeling terug kunt lezen.

Microstructuur

Het laatste niveau is dat van de microstructuur, het eigenlijke schrijven. Daarvoor bestaan heel veel praktische boeken. Ik noem hier alleen Effective Scientific Writing van Aleth Bolt en Walter Bruins, maar had nog wel 10 andere boeken kunnen noemen. Vergeet ook niet dat er ook veel websites zijn, zeker in het Engels, met tips over promoveren en schrijven voor je dissertatie.

Een paar tips wil ik wel noemen:

  • Maak alinea’s met telkens één boodschap. Vermijd dat je maar door- en doorschrijft, zonder op ‘return’ te drukken.
  • Leg het eerst hardop uit (aan jezelf of een ander), voordat je het opschrijft.
  • Gebruik zoveel mogelijk stoplappen en standaardformuleringen die je bevallen, mooi schrijven kan altijd nog. Daarmee kun je je focussen op de inhoud.
  • Gebruik tussenkopjes als je dat helpt (die kun je later weer weghalen). Zo kun je de boodschap van je alinea beter vasthouden.
  • Zorg voor verbindingen en overgangen tussen de alinea’s. Daarmee help je je eigen denken. Gebruik hier naar hartelust clichés en stoplappen. Dat kan later nog wel weer verbeterd worden.
  • Stel jezelf eerst vragen in de tekst, en beantwoord die vervolgens. Ook die vragen kun je, net als de tussenkopjes, later weer weghalen. Het zijn als het ware de steigers die je gebruikt om het huis te bouwen.
  • Focus, focus, focus: 80% van wat je schrijft, gooi je weer weg. Je moet het wel alleen eerst wel opschrijven, om te weten wat je weg kunt gooien. Vaak werkt het zo, dat als je een zin hebt opgeschreven, je dan plotseling weet wat je eigenlijk wilt zeggen. Schrijf dat dan op, en haal de eerste, mislukte zin weer weg.

En de allerbelangrijkste: schrijven is pas schrijven als je schrijft.

         

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.