Gert Biesta’s onderwijstheorie: bewijzen of geloven?

Full disclosure: ik ben een groot bewonderaar van Gert Biesta’s werk, heb een aantal keren met hem samengewerkt bij NIVOZ en hoop dat nog vaker te mogen doen. Voor De Nieuwe Meso stel ik met Gerritjan van Luin en Arie Olthof op dit moment een themanummer samen over zijn werk en de betekenis voor de praktijk van leidinggevenden in het onderwijs. We denken natuurlijk dat dit een heel boeiend themanummer gaat worden. Een vraag die we ons daarbij stelden is: waar komt de kritiek op Biesta vandaan, die soms zelfs overgaat in irritatie? We kwamen daar niet helemaal uit. Totdat Arie Olthof opmerkte: zijn theorie is zo normatief. Het lijkt wel of je het eerst moet geloven. Dat moest ik beamen: Biesta neemt inderdaad duidelijk stelling tegen de huidige praktijken in het onderwijs. Dan kan ik me voorstellen dat er mensen zijn die gelijk wat argwanend worden, als er zulke duidelijke meningen geformuleerd worden. Veel mensen denken liever zelf, en nemen niet zomaar een mening van een ander aan. Die zoeken eerst naar tastbaar bewijs.

Het interessante is, ik ben zelf zo’n type. Waarom ben ik dan toch zo geïnspireerd door zijn werk? Dat heeft voor mij te maken met de grondigheid waarmee hij zijn meningen onderbouwt. En de elegantie waarmee hij op basis van enkele relatief simpele uitgangspunten (over communicatie van Dewey bijvoorbeeld, over vrijheid en emancipatie van Arendt, macht van Foucault en ethiek van Levinas), een sluitende benadering voor ‘goed onderwijs’ construeert. Die komt erop neer dat we het risico in het onderwijs de ruimte moeten geven, waarin we onszelf ter sprake moeten brengen, waarin we ons moeten laten aanspreken, om ons te laten onderbreken door de ander. In die onderbreking vindt namelijk de ontwikkeling plaats.

Het lastige van Biesta’s theorie, is dat hij niet falsifieerbaar is, wat volgens Karl Popper een noodzakelijk kenmerk van een theorie is. We kunnen daarom niet bewijzen dat goed onderwijs staat of valt met een risico dat leraren nemen, simpelweg omdat er geen experiment te bedenken valt waarbij we ieder menselijk risico uitsluiten. Of je zou eens in Noord-Korea moeten kunnen rondkijken, maar zelfs daar zal hopelijk nog sprake zijn van enige menselijkheid in het onderwijs.

Dat betekent, dat de genoemde uitgangspunten dan wellicht ook Biesta’s achilleshiel vormen. Om zijn theorie te kunnen ‘volgen’ moet je het er wel enigszins mee eens zijn, dat een belangrijk doel van onderwijs is, om leerlingen te vormen (op te voeden) tot vrije, zelfstandige burgers, die kritisch kunnen denken en handelen (Arendt); die mee willen bouwen aan een levende democratie, die nooit af is (Dewey), en dat de basis voor onze moraal ligt in de verantwoordelijkheid die we kunnen ervaren voor het beroep dat de Ander op ons doet (Levinas). Even heel kort door de bocht geformuleerd, allemaal.

Als je dat allemaal niet belangrijk vindt, verwerp je bij voorbaat waarschijnlijk de minutieuze wijze waarop hij die redeneringen opbouwt en met elkaar verbindt. En dan valt Biesta’s theorie in duigen, wellicht. Maar wat dan nog steeds blijft staan, is de vraag waar hij zijn theorie mee begint: waartoe dient onderwijs? Waartoe onderwijzen wij?
Zo geredeneerd, komt de kritiek en irritatie misschien niet voort uit de stelligheid waarmee Biesta zijn ideeën poneert, maar uit een onbewust ongemak over wat dan een ander antwoord op die vragen zou moeten zijn.

PS Dat themanummer komt dit najaar uit, hou de website van De Nieuwe Meso in de gaten!

         

3 gedachten over “Gert Biesta’s onderwijstheorie: bewijzen of geloven?

  1. Beste Hartger, als je een reaktie wilt op je vraag naar geloven of bewijzen is het wel handig als je een link in je blogpost zet naar teksten van Gert Biesta. Wat ik van zijn boodschap weet is dat het woord theorie in de strikte zin niet van toepassing is. En dus is de vraag naar de falsifieerbaarheid niet aan de orde. Overigens zijn er maar heel weinig strikt wetenschappelijke (in de zin van falsifieerbare) theorieën in het onderwijs.
    Het is praktischer om uitspraken als die van Biesta en anderen te beschouwen als technische handleidingen. Je beschouwd dan het handelen van de leraar als toepassing van een techniek. De vraag die je aan technische handleidingen stelt is ” werkt dit?” en dat lijkt me geen eenvoudige vraag voor een, voor zover ik weet, niet al te konkrete denkwijze van Biesta.

    1. Beste Jaap, dank je voor je reactie. Ik verwijs vooral naar zijn laatste boek The Beautiful Risk of Education, in het Nederlands vertaald als Het prachtige risico van onderwijs. In het afsluitende interview in dat boek gaat hij zelf in op de vraag in hoeverre hij beoogt een theorie te construeren. Casper Hulshof droeg naar aanleiding van mijn stukje de term ‘metatheorie’ aan, vind ik ook wel een mooie. Ben het overigens met je eens dat er maar weinig strikt wetenschappelijke theorieën in het onderwijs zijn. Ik beschouw Gert Biesta als een vrij zeldzame uitzondering in de zin dat hij het aandurft in elk geval aan een theorie te werken, falsifieerbaar of niet. (En René Kneyber preciseert: onderwijspedagogische theorie.)
      Tot slot: het werk van Biesta beschouw ik als allesbehalve een technische handleiding. Als je met die verwachting zijn teksten gaat lezen, wordt je inderdaad teleurgesteld. Het is alsof je in een beschouwing over voedsel, landbouw en de ontwikkeling van onze eetgewoonten in de afgelopen eeuwen, een recept voor groentetaart gaat zoeken.

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.