Die vermaledijde schoolbesturen (en wat heeft eigenaarschap ermee te maken?)

Dit blog wilde ik al een tijdje schrijven. De directe aanleiding was een opiniestuk van Rik Seveke in Het Parool, waarin hij bestuurders van onderwijsinstellingen ervan beschuldigt onderwijsontwikkelingen te belemmeren. Er vallen termen als kloof en regentesk en het is daarmee bepaald een prikkelend stukje. Nu gaat het me niet om dit stukje op zich. Ergens vind ik het wel te prijzen dat Rik deze aanklacht uitspreekt, omdat het gesundenes Volksempfinden lijkt om onderwijsbestuurders de zwarte Piet (oh nee, andere discussie 🙂 te geven als het gaat om wat er mis is in het onderwijs. Twee zaken zitten me hierbij dwars. In de eerste plaats is het beeld dat van de onderwijsbestuurder geschetst wordt, te generaliserend. Het zet een zeer diverse groep als blok weg, wat nooit een goed uitgangspunt is voor een constructieve dialoog. In de tweede plaats is er een schrijnend gebrek aan historisch besef van de bestuursstructuur van het Nederlandse onderwijs, waarmee we het kind met het badwater weg dreigen te gooien. Dat laatste wil ik in dit blogbericht proberen recht te zetten.

Geschiedenis

Wij kennen in Nederland namelijk een uitzonderlijk onderwijssysteem van grotendeels zelfstandige stichtingen, die gefinancierd worden met publiek geld. In heel veel andere landen is de inmenging van de overheid op de uitvoering van het onderwijs en de besteding van het geld, veel groter. Gek genoeg wordt in die buitenlanden (Engeland bijvoorbeeld, maar ook Zweden en de Verenigde Staten) juist gestreefd naar meer zelfstandige schoolbesturen, om uit de wurggreep van de ambtenarij te blijven en het gebrek aan directe publieke verantwoording (!) op te lossen. Een probleem daarbij is overigens, dat die verzelfstandiging dan vaak weer gepaard gaat met retoriek over concurrentie en de vrije markt, waardoor er sturingsprikkels worden gegeven die tot een grotere ontevredenheid en een hoge werkdruk bij (vooral) leraren leiden.

Niet onbelangrijk in dit verband is de geschiedenis van het Nederlandse onderwijs. De meeste van die zelfstandige stichtingen zijn namelijk ontstaan na de Pacificatie in 1917, die ruimte gaf aan bijzonder onderwijs, geïnitieerd door de samenleving, betaald door de overheid. Mits het onderwijs deugdelijk was, gaf de overheid alle ruimte aan dit maatschappelijk initiatief. Zo ontstonden overal verenigingen, bestuurd door ouders en kerken (in de protestants-christelijke zuil), of stichtingen geleid door religieuze congregaties (in de katholieke zuil), waarvan de legitimiteit volstrekt duidelijk was: de verbinding met ouders en (religieuze) verbanden was klip en klaar.

Ontzuiling

Vanaf de jaren 60 komt ontzuiling en secularisatie op gang. Het verband tussen levensovertuiging en schoolkeuze wordt langzamerhand losser. Tegelijk waait er vanaf de jaren 80 een andere politieke wind, die de schoolbesturen meer autonomie geeft, in ruil voor budgettaire zekerheid. De ‘open einde financiering’, waarbij de overheid nooit precies wist wat het onderwijs in rekening zou gaan brengen, werd ingeruild voor ‘lump sum’: één zak met geld, naar eigen inzicht te besteden. Hiermee werd begonnen in het hbo, en in jaren 90 sijpelde dit model door naar mbo, vo en tot slot, in 2006 het po.

In de loop van de jaren ’90 en ’00 werd vervolgens het stichtingsmodel de feitelijke standaard voor de rechtsvorm van onderwijsbesturen. De oude schoolvereniging verdween, en ook het ‘integrale bestuur’ in het openbaar onderwijs is vrijwel overal (op ‘rode’ uithoeken als Oost-Groningen na) ingeruild voor een verzelfstandigde stichting.

Dat betekent dat autonomie van schoolbesturen niets nieuws is. De meeste schoolbesturen wáren al autonoom, vanaf het begin, en de overheid heeft willens en wetens die autonomie vergroot, ook voor het openbare onderwijs, omdat het oude model niet houdbaar bleek. Evenmin zijn grote schoolbesturen iets recents. Stichtingen als Carmel en OMO zijn al heel lang besturen met vele scholen onder het dak, naar (vrijwel) ieders tevredenheid.

Kernwaarden

Wel is er onmiskenbaar  een legitimatieprobleem. Veel scholenbesturen zijn ooit gesticht op katholieke of protestante grondslag. De belangen en waarden die met het onderwijs in die stichting nagestreefd werden, waren toen volstrekt duidelijk. Met het verdwijnen van religie uit de publieke ruimte, is die verbinding met de achterliggende belangen verdwenen. Schoolbesturen zijn gefuseerd tot ‘samenwerkingsbesturen’ waarin verschillende denominaties samenwerken. Of ze zijn in naam misschien nog protestant of katholiek, maar bijna niemand weet nog wat dat inhoudt. Dan wordt het ook heel moeilijk voor het bestuur om te bepalen welke belangen en waarden nog nagestreefd moeten worden.

De vraag ‘wat goed onderwijs is’, is voor sommige besturen heel lastig te beantwoorden. Het religieuze (of openbare) verleden zorgt voor pijnlijke, lastige vragen en een moeizaam gesprek, wat liever vermeden wordt. Dat helpt niet bij het koersvast uitzetten van een inhoudelijke lijn, want, zoals Gert Biesta het zo mooi formuleert: ‘if you stand for nothing, you will fall for anything.’ Als het pijnlijk is om het over kernwaarden te hebben, omdat daar een christelijk verleden om de hoek komt kijken, waar niemand zijn vingers aan wil branden, lijkt het neerzetten van het architectonisch meest indrukwekkende schoolgebouw plotseling een heel aantrekkelijk gezamenlijk doel te zijn.

Dat leidt tot excessen, zoals we bij Amarantis en ROC Leiden gezien hebben. Niet dat er vroeger geen slechte scholen waren. Die waren er zeker, alleen vinden we dat nu niet langer maatschappelijk aanvaardbaar. En doordat scholen groter zijn geworden als gevolg van schaalvergroting, zijn de potentiële gevolgen van een slecht bestuurder ook groter. En tot slot is onderwijs een centraal onderwerp van maatschappelijk debat geworden, dus ligt alles onder een vergrootglas.

Herstel van legitimatie?

De vraag is, hoe je de legitimiteit van schoolbesturen weer herstelt. Er is een groep opiniemakers die lijkt te pleiten voor het afschaffen van de huidige schoolbesturen. De kolossen moeten worden ontmanteld, zoals Alderik Visser schrijft in Het Alternatief II, en lokale gemeenschappen krijgen concessies om onderwijs te verzorgen. Het is een verleidelijke optie, maar ik denk niet dat het zo simpel is.
Want er moeten natuurlijk nieuwe besturen komen (of een radencommissie, zoals Visser voorstelt), en wie gaan bepalen wie daarin komen? De matige interesse van ouders en leraren om deel te nemen aan de huidige vormen van medezeggenschap, voorspellen wat dat betreft niet veel goeds. Een belangrijker argument is, dat zo’n constructie nu al mogelijk zou zijn, maar blijkbaar nergens ouders of leraren het initiatief nemen om daarmee te starten. Sterker, zoals gezegd hebben de afgelopen 10 jaar steeds meer lokale overheden (gemeenten) zeer weloverwogen besloten het openbare onderwijs op afstand van de directe democratie te zetten. Daar zijn blijkbaar redenen voor.

Daar waar je ziet dat scholen zich trachten te onttrekken aan grote besturen, gaat het om zeer afgebakende doelgroepen: zelfstandige gymnasia, of kleine scholen. Het interessante is, dat die scholen zich vervolgens alsnog aansluiten bij een groter bestuur, maar dan een bestuur waarvan ze het gevoel hebben, dat die beter hun specifieke belangen vertegenwoordigt. Ook weer: het gaat niet zonder slag of stoot, maar het kán blijkbaar wel, een nieuw bestuursverband zoeken.

Het blijven denk ik wel de uitzonderingen. Voor de meeste ouders en leraren is het probleem met de huidige bestuursvormen en bestuurders er gewoonweg niet. En dat is vooral omdat de meeste schoolbesturen prima werk verrichten, waar ouders, leerlingen, leraren en maatschappelijke partners behoorlijk tevreden over zijn. Daar waar wel ontevredenheid bestaat, zal het gesprek gevoerd moeten worden.
Dat is geen gemakkelijk gesprek, en daar is ook geen blauwdruk voor te geven. Ik heb wel de indruk dat meeste schoolbesturen daar druk mee bezig zijn, in de vorm van horizontale of maatschappelijke verantwoording. Sommige besturen hebben een maatschappelijke adviesraad in het leven geroepen om de dialoog met belanghebbenden te voeren.

Eigenaarschap

Het gaat, denk ik, uiteindelijk om eigenaarschap. Ouders (en ook leraren, misschien zelfs leerlingen) moeten zich weer mede-eigenaar van de school gaan voelen. Dat vraagt iets van de bestuurders, om zich open te stellen voor die gedachte (en niet te denken dat de school van hen zelf is), maar ook van ouders (en leraren). Namelijk om zich niet alleen als consument, dan wel medewerker op te stellen, maar ook mee verantwoordelijkheid te willen dragen over de lange termijn koers van de school.

Het gaat dus niet om structuur, maar om cultuur. We hebben het sinds de ontzuiling te lang niet meer gehad over wat we goed onderwijs vinden. We hebben het vanaf de jaren 80 te veel gepraat in zakelijke termen over goed onderwijs, waarbij de leerling (of de ouder) de klant was, en de school de winkel. We hebben gedaan alsof leraar worden iets was, wat je kunt worden door een hoop vakkennis en wat didactische vaardigheden aan te leren, zodat je met slim klassenmanagement een hoog rendement uit je leerlingen kunt halen.

Wat we vergeten zijn, is dat onderwijs meer is dan dat. Goed onderwijs is een nauwelijks tastbaar, gezamenlijk product dat ontstaat in een ragfijn weefsel van samenwerking tussen ouders en school. Hoe realiseer je dat? Welke waarden spelen daarbij een rol? Hoe komen die tot uiting en hoe spreken we daar elkaar (ouders, leraren, leerlingen, bestuur) op aan? We zouden als maatschappij (ouders, leraren, leidinggevenden, bestuurders, andere belanghebbenden) terug het eigenaarschap moeten vragen (veroveren?) op de overheid. We hebben het een eeuw lang zelf kunnen doen, dat kan toch niet zo snel verdwenen zijn?

Het vergt dat we opnieuw, als mede-eigenaren, met elkaar het gesprek moeten voeren over wat we goed onderwijs vinden. En ons realiseren dat dat geen gemakkelijk gesprek is, en dat er geen eenduidige oplossingen zijn voor te schrijven. En, het allerbelangrijkste, dat we allemaal onze rol en verantwoordelijkheid hebben om dat goede onderwijs te realiseren. Soms een rol als leraar, ouder, leerling, bestuurder; en soms als mede-eigenaar die zich heeft te verhouden tot wat andere mede-eigenaren zouden willen.

Het gaat dan niet aan, om daar één groep bij apart te zetten, die de grootste schuld zou hebben, aan het gebrek aan ontwikkeling. En waarom dat een probleem is, daarover gaat mijn volgende blog.

Bron

Visser, A. (2015). Alle macht aan de raden. In Kneyber, R. en J. Evers: Het Alternatief II. De ladder naar autonomie. Culemborg: Phronese, pp. 118-134

         

5 gedachten over “Die vermaledijde schoolbesturen (en wat heeft eigenaarschap ermee te maken?)

  1. Goed stuk. Eens dat we niet één groep in het ingewikkelde onderwijshuis “de” schuld moeten toeschuiven. Ik breng wel een aspect in dat in het stuk nog niet naar voren komt maar wel een belangrijk maatschappelijk issue is: onderwijsvernieuwing. De samenleving heeft, kort gezegd, het onderwijs met sneltreinvaart ingehaald. Dat is een probleem! Uit talloze reacties uit het maatschappelijke veld, blijkt dat men vindt het huidige onderwijssysteem failliet is. We zullen ons dan ook de vraag moeten stellen naar de oorzaken van deze fossilisering. Dan zullen we niet kunnen ontkomen aan het noemen van de machtsfactoren die dit systeem nog in stand houden. Dan kom je natuurlijk al snel bij termen als bureacratie terecht. Zo veel bevlogenheid van leraren krijgt een deuk wanneer ze meemoeten in een strak gepland lessysteem, waar verantwoording-naar-boven de norm is geworden. Voor creativiteit en eigen inzicht, laat staan experimenteren, lijkt nauwelijks plaats. Besturen leggen dwingende eisen op aan de scholen omdat ze bij de Inspectie toch wel graag een “goed” vinkje krijgen. Leraren lijken platgeslagen – 1 op de 5 krijgt een burnout, startende leraren houden het snel voor gezien. Zelfs oude rotten in het vak nemen gedesillusioneerd afscheid. De dwang van zowel overheid “we moeten blijven scoren op de Wereldranglijstjes!” als de eigen ‘bazen’ “we moeten een goede beurt maken!” werken verlammend. Ik denk dat dit een oorzaak is van de verlamming en het achterblijven.
    Maar goed, het probleem ìs ook van ons allemaal, we zijn allemaal een beetje mede-eigenaar zoals je terecht opmerkt. En nogmaals… één groep als de schuldige aanwijzen is niet productief en ook niet eerlijk. Goede bedoelingen genoeg. Alleen…. het systeem in zijn totaliteit zit in een diepe crisis. Trouwens niet alleen bij ons, over de hele Westerse (of westers georiënteerde) wereld zien we deze kramp. Wat nu?

  2. Beste Hartger,
    Blij dat je (opnieuw) de spijker op de kop slaat en je stuk besluit met een vraag. Wat nu?
    Eigenaarschap is zo oud als de weg naar Rome, lijkt telkens weer ten tonele te verschijnen als ‘we’ het niet meer weten. Een vraag als ‘wat nu’ past daarbij.
    Wat me treft is dat wij mensen in tijden van cholera kennelijk de neiging hebben naar een ander te wijzen om daarmee onszelf onschuldig te maken. Maar dat gaat niet. We zijn één geheel, allemaal (in meer of mindere mate) verantwoordelijk, kunnen allemaal ons aandeel nemen. Dat vraagt reflectie en de bereidheid te delen, ons gezicht te tonen in weten en niet-weten. Elkaar durven te bevragen in openheid, zonder enige vrees voor … tja, voor wat dan ook. We zijn allemaal gewoon mens en hebben elkaar nodig. Hoe dan ook.
    Onderwijs, leren en ontwikkelen heeft in dit alles een vitale plek. Iedereen die zich bezighoudt met de groei van andere mensen heeft in mijn optiek de plicht (en het genoegen) zich de vraag te stellen ‘wie ben ik?’ ‘Wat wil ik bijdragen aan de samenleving?’ ‘Hoe ga ik dat doen?’. Een grondhouding als deze zet ons wat mij betreft in de juist modus om wat voor vraagstuk dan ook het hoofd te bieden.

  3. Beste Hartger,

    Dank voor je heldere uiteenzetting over ‘hoe het zover gekomen is’.
    Ongetwijfeld omdat ik al heel wat jaren mee draai in de onderwijswereld valt mij steeds vaker op dat mensen redeneren alsof er geen geschiedenis is; alsof dezelfde samenleving/politiek die nu zo kritisch is op alles wat bestuurt, niet begin jaren tachtig tot de conclusie kwam dat het ambtelijke, centraal gereguleerde besturingsmodel volkomen onhoudbaar was geworden.
    Ook breek je terecht de staf over het categorie-denken: ik ken in ieder geval heel erg veel met hart en ziel voor goed onderwijs werkende bestuurders. Dat heb ik ook Rik Seveke laten weten.
    Dit laat natuurlijk onverlet dat we altijd moeten blijven zoeken naar verbetering en ontwikkeling, dus ik zie met belangstelling uit naar je volgende blog!

  4. Beste Hartger,
    Op de site van de VO-raad staat een artikel over versterking van de medezeggenschap. Dat is prima, maar als je dan leest dat diezelfde raad bij de cao-onderhandelingen eist dat de regel dat de twee derde meerderheid van de medezeggenschapsraad die nog is voor ingrijpende structuurwijzigingen moet worden afgeschaft, vraag je je toch af waar die VO-raad mee bezig is.
    Groeten,
    Frans Millevoi

  5. Beste Hartger,
    Hoe valt het te rijmen dat de VO-raad rept over het versterken van de medezeggenschap, waar de raad ook voor lijkt te zijn en de eis bij de vorige CAO-onderhandelingen om de verplichting dat twee derde van de medezeggenschapsraad voor moet zijn bij ingrijpende structuurwijzigingen af te schaffen?

    Groeten, Frans Millevoi

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.