Werkdruk als symptoom van een systeem op z’n eind

Nee, ik wil me niet bemoeien met de discussie die op Twitter oplaaide naar aanleiding van de berichtgeving in de Volkskrant deze week, daar heb ik al eerder over geschreven en ik heb daar weinig aan toe te voegen. Wel wil ik nog een ander perspectief geven, namelijk dat het voor mij een symptoom is van een onderwijssysteem dat op z’n einde is. Daarmee bedoel ik niet te zeggen dat ‘alles op de kop’ moet, en zeker niet dat ik daarvoor de oplossing achter de hand heb. Maar vooral dat dit conflict (en het verhaal over het geschorste basisschoolkind in AD) laat zien, dat we met de gangbare oplossingen er niet gaan komen.

Met gangbare oplossingen bedoel ik: een uurtje hier erbij, een uurtje daar eraf. Nog een regeling voor zij-instromers, flex-deeltijders of een- of tweejarige masters al dan niet met een ‘opleiden in de school’-variant. En zeker niet met een bezuinigingetje hier en daar, een extra stoeltje in de klas zus en een locatie sluiten zo.

Er zijn twee redenen waarom dit niet meer gaat, en die heten: Passend Onderwijs en krimp. Het grote probleem in het onderwijs de komende jaren zal (denk ik) niet zijn of de rekentoets nu wel of niet deugt, of er wel of geen wetenschappelijk bewijs voor welke nieuwe methode dan ook gevonden wordt, of iPads nu wel of niet effectief zijn enzovoort. Het grote probleem is nu al: hoe houden we, gegeven de financiële beperkingen die Passend Onderwijs en krimp ons opleggen, een basaal systeem van toegankelijk, nabij en deugdelijk onderwijs in stand?

Tijdens de feestdagen sprak ik mijn schoonzus. Zij werkt in het speciaal onderwijs en vertelde over de bezuiniging van 10-15% die haar school heeft opgelegd gekregen. Het schoolbestuur waar ik de eer heb toezichthoudend bestuurslid te mogen zijn, werkt met een positieve marge van 1-2% op de begroting. Ik ken de begroting een klein beetje en weet: 10% bezuinigen is een absolute ramp. Voor 15% kan ik geen woord bedenken. De verhalen die ze vertelde over wat zich soms afspeelt met de kinderen die naar hun scholen komen (kwetsbare, hulpbehoevende kinderen uit gezinnen die vaak ook kwetsbaar en hulpbehoevend zijn), doen je de tranen in de ogen springen.

Het speciaal onderwijs vangt de eerste klappen op van de Passend Onderwijs-maatregelen, maar het zal niet lang duren voor reguliere scholen ook de effecten gaan voelen. En dat gebeurt overigens al. Er komen meer leerlingen met ‘speciale behoeften’ naar scholen die ingericht zijn op een grijze middenmoot, met een enkele uitschieter naar boven of naar beneden. In cognitieve zin dan, over andere leerbehoeften wordt nog maar weinig echt gesproken. Eén ASS-er is misschien nog te doen, maar 3 niet. Niet, tenminste, als je als leraar alleen voor een klas staat, met je methodeboek in de hand, en de vakanties en toets- en rapport-deadlines in beton gegoten in de schooljaarplanning op je bureau.

Nogmaals, ik heb niet het gouden ei. Maar ik zie drie terreinen waarop onvermijdelijk de boel in beweging moet gaan komen. Scholen die dat niet doen, bestaan over 10 jaar niet meer. Is dat een boude bewering? Misschien.

  1. Samenwerking. Leraren moeten niet langer in hun eentje verantwoordelijk zijn voor een klas (po) of de lesstof van hun vak voor een aantal klassen (vo). Leraren moeten in teams grotere groepen leerlingen samen gaan ‘bedienen’. Zodat ze elkaar kunnen ondersteunen, vervangen, helpen, van elkaar leren, feedback geven enzovoort. Zo wordt in de zorg gewerkt, bij de politie, en in het bedrijfsleven. Het gebeurt nu ook al: co-teaching, werken met colleges aan grote groepen, zelfwerkzaamheid van leerlingen gecombineerd met instructie in kleine groepen. Ik vind het on-be-grij-pe-lijk hoe weinig leraren samenwerken. Echt onbegrijpelijk.
  2. Flexibiliteit in lesstof en niveaus. Nog steeds vinden we dat alle leerlingen op dezelfde leeftijd op hetzelfde niveau moeten zitten, soms op de dag af. Het voorbeeld van 5 parallelle groepen 3, die voor Kerstmis op dezelfde bladzijde van de rekenmethode moeten zitten, gaf ik al eerder. Hoe ouder kinderen worden, hoe meer hun ontwikkeling uit elkaar gaat lopen. Ons antwoord daarop is een versplintering in niveaus, waarin we alle kinderen dan weer gelijk willen schakelen. We organiseren ons gek daardoor, allemaal verspilde tijd. Kinderen verschillen, punt. Ga daar nou eens van uit, in plaats van dat op te willen lossen.
  3. Flexibiliteit in tijd en plaats. De enige plaats in onze samenleving waar we mensen niet laten vertrouwen op hun horloge is de school: daar gaat een bel. Ook hier organiseren we ons gek: 30 leerlingen die net gym hebben gehad, moeten binnen 10 minuten gedoucht zijn en terug van de gymzaal om weer rustig en geconcentreerd naar een les aardrijkskunde te luisteren. En dat 5-6 keer op een dag. We rennen ons gek van vakantie naar rapport en vallen dan amechtig neer. De scholen zijn 12 weken per jaar dicht en al het leren houdt op. Wat een verspilling van tijd en moeite.

Goed, nog een vierde dan, de meest belangrijke. Want u vraagt zich af: hoe moet het dan? Makkelijk praten, die Wassink, maar kom maar eens langs. Daar heeft u een punt. Ik weet het ook niet. Maar wat ik ook zie, is ontzettend veel leraren en schoolleiders, die allemaal in hun eigen klas, hun eigen school, tegen de klippen op het hoofd boven water proberen te houden. Ga eens met elkaar praten, ga bij elkaar kijken, leer van elkaars oplossingen! Dat gebeurt zo weinig. Al in één enkele school gaan leraren nauwelijks bij elkaar in de les kijken.
Maar er is wel tijd om te vergaderen. Ruil nu eens één vergadering per maand in, om met elkaar naar een video van een les te kijken, en praat daar eens over na. En er zijn zat scholingsdagen met externe deskundigen die komen uitleggen hoe het zou moeten. Ga nou eens in plaats daarvan naar die school aan de andere kant van de stad, en ga kijken hoe ze het daar doen. Zij weten het ook niet, maar samen weten jullie alweer meer.

En als je er dan met elkaar over praat, dan ontstaat er een visie. Geen wezenloze doorgecommuniceerde paarsebroekentekst, maar gewoon taal die inspireert, houvast geeft en iedereen bij de les houdt. Want dat is de vierde factor: scholen die geen visie hebben, zullen geen idee hebben wat ze met bovenstaande drie ontwikkelingen aanmoeten. En dan kan er van alles gebeuren, maar de kans dat het de goede kant oprommelt, is klein.


Een aanvulling, een uurtje later. De grote olifant in de kamer is de leerling. Ga met de leerling praten. Neem hem/haar serieus, vraag om tips en sta versteld van de goede en bruikbare antwoorden die je krijgt. Geef de leerling ruimte en vertrouwen, in dezelfde mate als je dat van je directeur/bestuurder/raad van toezicht/overheid zou willen krijgen. En verbaas je dan over de verantwoordelijkheid die ze kunnen nemen. Als we die mindshift kunnen maken, dat gaat voor de echte oplossingen zorgen.

         

10 gedachten over “Werkdruk als symptoom van een systeem op z’n eind

  1. Goede punten Hartger!
    Ik zou nog toe willen voegen: Flexibiliteit in toetsing en verantwoording.
    De onderwijsinspectie is wel bezig met een flexibeler werkwijze qua toezicht, maar de normeringen voor toetsen zijn nog érg op het leerstofjaarklassensysteem gebaseerd. Feitelijk is dit een van de redenen waarom het leerstofjaarklassensysteem in beton is gegoten.

    Overigens wil ik wel een lichte nuancering aanbrengen in je verhaal. Zelf bezoek ik jaarlijks zo’n 100 grote besturen in het PO en ik signaleer bij de bezoeken ook erg veel goede bewegingen. Op veel plekken staat de door jou voorgestelde flexibilisering en samenwerking op de agenda en lopen er projecten. Er wordt echter nogal geworsteld met de huidige historische structuren.

    1. Hoi Machiel, dank voor je reactie en aanvullingen. En natuurlijk, je hebt gelijk, er is veel in beweging, dat zie ik ook. Soms overkomt me even zo’n gevoel en dan komt er een wat scherp stuk uit.
      Wat toetsen betreft, een hoofdstuk apart. Toetsen zou op leren gericht moeten zijn, niet op normeren, sluit aan op punt 2. Als je dat loslaat, dat het bij toetsen niet om vergelijken gaat, maar juist om feedback om de leerling verder te helpen, vervalt er een ongelooflijke hoeveelheid tijdrovende bureaucratie (nakijken en cijfers invoeren) en zinloos overleg (over normeringen). En wordt je werk als leraar leuker. Zie bv dit stuk in NRC vandaag: http://www.nrc.nl/next/2016/01/07/online-doen-ze-beter-hun-best-1577559.
      Het vergt wel moed, want je moet de (schijn)zekerheid van iedere periode alles willen kwantificeren loslaten. En durven uitleggen aan de inspectie dat dat ook onzin is. Je moet dan je leerlingen echt kennen, echt observeren, echt volgen.

  2. Hoi Hartger. Uit mijn hart gegrepen. Wij proberen precies jouw punten (en nog wat) te bewerkstelligen in het plan voor onze nieuwe school in Amsterdam, De Akademia. En ik zie ook veel ervan terukomen bij onze collegaplannenmakers.
    Hoog tijd om het onderwijs anders aan te pakken en volgens ons niet eens idioot moeilijk.
    Groet
    Dick

  3. Als oeroude filmmaker ( *1946) in het onderwijs heb ik mij al sinds 1974 ( een slordige 42 jaar dus) afgevraagd waarom docenten zo weinig samen doen. Net als Hartger repte ik steeds weer dat in andere beroepen ( geestelijke) gezondheidszorg, maatschappelijk werk en politie het volstrekt vanzelfsprekend is om met elkaar te werken en te leren. In veel van die beroepen, waar professionals zelfstandig verantwoordelijk zijn, is bijscholing al jaren gebruikelijk. Zonder het vereiste aantal punten verliest men zijn licentie….
    Nooit meer heb ik genoten dan toen ik in 1998 een documentaire over veranderend leraarschap mocht maken.
    Je ziet daar docenten elektrotechniek om half acht ‘s ochtends bij elkaar zitten voor wat wij nu een intervisiegesprek zouden noemen: “Joop, zegt één van de docenten, zou jij eens met Jan willen praten ? Ik krijg geen gesprek met die jongen. Ik reageer net als zijn vader denk ik, dat schiet niet op”
    Op een andere school zie ik het feest voor leerling en docent omdat eenieder aangesproken wordt op zijn of haar kwaliteit. Als leerling word je bediend naar gelang de omstandigheden en behoeften zoals die zich voordoen. Je ziet een docent die desgevraagd zegt: ” Dat microgebeuren van mentoring en coaching is niks voor mij. Geef mij maar een zaal. Ik ben een performer, ik heb publiek nodig” Zijn collega: “Ik geniet van de coachingsgesprekken die ik met leerlingen voer.”
    Zou het onderwijs zo’n moeite hebben met samenwerken omdat er een impliciete meetlat is over wat goed en slecht is in het onderwijs ? Omdat onderwijs niet uit de voeten kan met de kwaliteit van het verschil ??

  4. Mooi geschreven, heel erg raak! En er ontbreekt in mijn ogen nog iets: de afgelopen jaren is de hoeveelheid ‘managers’ enorm toegenomen in het onderwijs: begeleiders, bouwcoördinatoren, afdelingsleiders, etc. Laatst kwam ik de term bovenschools intern begeleider tegen, weer een nieuwe managementlaag?! Voor de mensen met die taken/functies: het is vast heel erg leuk voor jullie eigen persoonlijke ontwikkeling om die taak/functie te mogen uitvoeren, maar welk doel dient het? Allemaal mensen die zich met de organisatie bezig houden, maar minder met daar waar het om draait: de ontwikkeling van kinderen, de toekomst van ons land! Zijn we niet een beetje teveel doorgeschoten? Ik heb bewondering voor de mensen die nog wel voor de klas willen staan!

    1. Dank je Monique, terechte vraag die je stelt. De ‘bovenschools IB-er’ kende ik nog niet. Ik denk dat als leraren in teams voor grotere eenheden verantwoordelijk zijn, ze samen veel makkelijker klussen kunnen oplossen, die nu ‘uitbesteed’ worden aan aparte functionarissen. Aan die anderen moeten uren toegekend worden, die moeten verantwoord worden, die gaan vergaderen, er moeten dossiers worden overgedragen. Als je als leraar flexibeler bent in hoe je je werkt indeelt, kun je makkelijker tussen de bedrijven door zo’n klus oplossen. Maakt het ook afwisselender, en geeft meer voldoening, omdat je zelf (samen met je directe collega’s) de regie houdt. Hier zijn ook voorbeelden van, van scholen die dat al doen trouwens.

  5. Beste Hartger,

    Nog een gedachte erbij.
    Als ouders rechtstreeks aan de school voor hun schoolgaand kind betalen en niet meer via de overheid (belastingen), dan ontstaat er een heel ander systeem. Scholen zullen m.i. veel sneller reageren op signalen van ouders. De door jou bepleite flexibiliteit bereik je dan veel eerder.
    Scholen die niet reageren, prijzen zich uit de markt.
    Maar het is wel een hele grote wijziging.
    Nog een voordeel: we kunnen zonder een groots ministerie.

    En ik ben voor een systeem waarbij leerlingen (bv. in het VO) een maatwerkroute krijgen. Van 09.00 tot 15.30 uur op school, met een aantal vakgebonden instructiemomenten op verscheidene niveaus en daarnaast specifieke vakhulp en zelfwerkzaamheid. Docenten gewoon op school van half negen tot vijf uur. En geen klassenindeling meer en evenmin een leerstofjaarklassensysteem.

    1. Beste Ties, dank voor je reactie. Een prikkelend idee, wat natuurlijk voor privéscholen al realiteit is. En het was de situatie voor de Pacificatie van 1917. Punt is dan wel hoe je de toegankelijk waarborgt; dat niet ouders met het meeste geld het beste onderwijs kunnen kopen.

      1. Dag Hartger,
        Bij elk idee is een probleem te verzinnen.
        Maar het particulier onderwijs bewijst dat dit kan.
        Toegankelijkheid waarborgen kan via de wet (net als nu) en ook het stellen van een maximum aan wat een school mag vragen voor een kind dat die school bezoekt. De 6500 euro per leerling VO van nu kan als bedrag gehanteerd worden. Als ouders rechtstreeks aan de school betalen moet er in de belastingsfeer iets tegenover staan van vergelijkbare waarde. Of een vorm van toeslag. De leerplicht blijft en de vrije schoolkeuze ook.
        Ties

  6. Beste Hartger,
    Nog een gedachte: als de ouders voor hun schoolgaand kind rechtstreeks aan de school betalen en niet meer via de overheid (belastingen) ontstaat er ook een heel ander systeem. Scholen zullen veel sneller reageren op vragen van ouders. Anders prijzen ze zich uit de markt. De door jou bepleite flexibiliteit komt dan m.i. veel sneller tot stand.
    Het is wel en heel grote verandering. Bijkomend voordeel is dat we met een kleiner ministerie toe kunnen.

    En verder ben ik een voorstander van een systeem met veel meer maatwerk voor leerlingen. Gewoon (in bv. het VO) aanwezig zijn als leerling van 09.00 uur tot 15.30 met op die dag meerdere, vakgebonden instructiemomenten op verscheidene niveaus en verder zelfwerkzaamheid met op de persoon toegesneden hulp. Met afschaffing van de klassenindeling en het leerstofjaarklassensysteem. Docenten gewoon aanwezig van half negen tot vijf.

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.