De oriëntatie van de toezichthouder–lessen uit Canada en de VS

Zo, het heeft even geduurd sinds mijn vorige bericht, zie ik. Ik was druk met het vertalen van een boek, Aan de slag met Policy Governance, waarover later meer. Dat kostte nogal veel schrijfenergie. Vanaf nu hoop ik de draad weer op te pakken. Ik schreef wel al een blog trouwens voor de nieuwsbrief van Goed Bestuur en Toezicht, die hier is te lezen. De aanleiding voor dit bericht nu is de jaarlijkse conferentie van de IPGA, de vereniging voor Policy Governance, waar ik de eer heb deel uit te maken van het bestuur. Vandaag was de eerste dag van de conferentie in Toronto, of eigenlijk de pre-conferentie pas, en ik woonde een sessie bij van Airick “AJ” Crabill met als titel Transforming School Boards. Dat was bijzonder inspirerend en toch, of juist daardoor, bleef ik achter met gemengde gevoelens. 

Die gemengde gevoelens komen neer op aan de ene kant een besef van hoe goed we het in Nederland hebben, wat het onderwijs betreft. Als ik de verhalen beluisterde van de vertegenwoordigers van een schoolbestuur voor de Cree First Nation gemeenschap, of de verhalen van Crabill zelf, over de staat van het publieke onderwijs in Kansas City zoals hij het aantrof toen hij in het bestuur gekozen werd, dan voelde ik me bijna beschaamd. Zoveel armoede, zoveel bijna uitzichtloze achterstand, zoveel ongelijkheid, ik denk dat de meeste Nederlanders geen idee hebben hoe het moet voelen als je deel uitmaakt van zo‘n gemeenschap.

Betekent dat dan, dat we klaar zijn in Nederland? Nee, het betekent dat we in de perfecte positie zijn om die ongelijkheid die er nog is in ons land ook aan te pakken. En daar spelen (intern) toezichthouders ook een rol in. Dat zal ik uitleggen.

Een uitgangspunt van Crabill is, dat de opbrengsten van onderwijs voor leerlingen niet verbeteren, als volwassenen hun gedrag niet verbeteren. Bij die volwassenen denk je in eerste instantie misschien aan leraren en ouders. Maar ook bestuurders en toezichthouders hebben hier een belangrijke rol in.

Crabill presenteerde 5 belangrijke factoren (die hij ontleende aan het werk van Marzano–ik heb het nog niet nagezocht) op het niveau van schoolleiderschap, die een positieve invloed hebben op die opbrengsten. Alle vijf hebben ze te maken met het stellen van doelen voor opbrengsten bij leerlingen. En ‘doelen’, zo benadrukte hij, formuleer je vooraf, om na verloop van tijd te bekijken in hoeverre je ze gehaald hebt. Als je op een willekeurig moment wat testresultaten op tafel legt en dan zegt: dat doen we toch niet slecht, dan ben je niet bezig met het stellen of beoordelen van doelen. Dan doe je eigenlijk maar wat.

En dat is volgens mij toch helaas precies wat veel bestuurders en toezichthouders in het Nederlandse onderwijs doen. We stellen op willekeurige momenten (meestal aan het eind van het schooljaar) willekeurige cijfers vast (Citoscores, eindexamencijfers) en vinden daar dan wat van. Hebben we eerder vastgesteld welke cijfers we verwachten? En waarom? En op welke manier we denken dat die cijfers al dan niet bereikt zouden moeten worden? Meestal niet. Dus het beoordelen van die cijfers gebeurt vaak in het luchtledige.

Dat zou nog niet zo erg zijn, als we daarmee niet bepaalde groepen ernstig tekort doen. Dat zijn de groepen waarvan vertegenwoordigers vaak niet in het bestuur of in de raad van toezicht zitten: ouders van kinderen in sociaal-economisch slechte omstandigheden, van kinderen met speciale behoeften, van kinderen in beroepsgerichte afdelingen, van etnische minderheden met taalachterstanden.
In hoeverre doen we deze groepen recht? Weten we wat zij nodig hebben, wat zij belangrijk vinden in goed onderwijs? En weten we wat we voor hun kinderen, de leerlingen, zouden willen bereiken? Misschien wel, maar formuleren we daar dan ook doelen voor? Delen we die doelen publiekelijk, en leggen we daarover verantwoording af? Ik weet het niet, ik ken althans geen voorbeelden van schoolbesturen die dat doen.

Policy Governance helpt mij weer te beseffen dat de oriëntatie van schoolbestuurders en -toezichthouders niet alleen op de ranglijsten in de kranten moet zijn. Ook niet op het binnenhalen van de beste leerlingen, wat daarvoor de snelste strategie is. Evenmin op groei of grootte van het bestuur als doel op zich, of het neerzetten van de mooiste onderwijsgebouwen. Onze oriëntatie moet zijn op de mensen namens wie we in het bestuur of de raad van toezicht zitten–alle mensen.
Dus ook de groepen in onze samenleving die het meest baat hebben bij onderwijs dat op hun behoeften aansluit en die nu vaak geen rechtstreekse stem in het bestuur hebben. Policy Governance helpt me weer te beseffen dat we, als we echt op een verantwoordelijke manier onze rol willen vervullen, we scherpe, heldere doelen moeten formuleren, voor wat we willen bereiken voor alle leerlingen, en voortdurend moeten nagaan in hoeverre we die doelen ook realiseren.

Dat is geen gemakkelijke opgave. Dat vergt hard werken: op pad gaan, mensen spreken, goed nadenken, zorgvuldig formuleren, heldere criteria stellen en (voor toezichthouders) vervolgens de handen op de rug houden als de bestuurder aan de slag gaat om beleidsinitiatieven te nemen. Maar dat is de manier waarop we als toezichthouders het beste onze bijdrage kunnen leveren aan goed onderwijs voor iedereen. Als het ons daar tenminste om te doen is.

         

Een gedachte over “De oriëntatie van de toezichthouder–lessen uit Canada en de VS

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.