Moedig toezicht in het onderwijs

Vandaag woonde ik de conferentie Moedig Toezicht bij. We waren te gast bij de iPabo voor een goed georganiseerde conferentie met een belangrijk thema. Het onderwijs zucht namelijk onder de afvinklijstjes en protocollen, dat wat Gert Biesta ‘de cultuur van het meten’ noemt. Veel professionals hebben het gevoel dat de eigenlijke kern van hun werk ondergesneeuwd raakt. Enfin, het verhaal is bekend, ik hoef dat hier niet nog eens te herhalen.
Toezichthouders hebben hier een belangrijke rol in. Bij de raad van toezicht zullen velen denken aan mannen in pakken die gek zijn op alles wat je kunt meten: geld, kerncijfers, kpi’s. De praktijk is anders, weet ik uit ervaring. Ten eerste zijn er veel meer vrouwelijke toezichthouders dan je denkt, zeker in het onderwijs. Ten tweede willen de meeste toezichthouders juist het verhaal achter de cijfers horen, en zitten ze helemaal niet te wachten op dikke pakken papier van de bestuurder.

Dat contrast roept twee vragen op:

  • Waarom weet de buitenwereld zo weinig over wat toezichthouders doen?
  • Waarom zijn toezichthouders niet in staat om de cultuur van het meten te veranderen?

Beide vragen hebben te maken met de moed van de toezichthouder. Om met de laatste vraag te beginnen: als de raad van toezicht zich niet (alleen) wil richten op de cijfers die hij van de bestuurder krijgt, dan moet ze dat duidelijker zeggen. Dat vraagt moed. Want als de raad van toezicht over andere zaken wil praten dan alleen die cijfers, waar moet het dan over gaan? En hoe geef je structuur aan dat gesprek?

Het vraagt mijns inziens in de eerste plaats de erkenning, dat de meeste cijfers niet meer zijn dan een middel. Geld, personeel, zelfs kwaliteitsindicatoren zijn allemaal afgeleiden van waar het in een onderwijsinstelling werkelijk om draait: goed onderwijs, ofwel ‘de bedoeling’ van de instelling, zoals Ron Bormans het vanmiddag formuleerde.

Maar, zoals Cok Bakker in antwoord daarop terecht opmerkte: dat gesprek over goed onderwijs wordt veel te weinig gevoerd, en vaak ook met onvoldoende deskundigheid. Want het lijkt voor de hand te liggen (we zijn immers allemaal vóór goed onderwijs?), maar in de praktijk is dat een heel lastig onderwerp.

Wat het des te belangrijker maakt dat de raad van toezicht, juist de raad van toezicht, dat gesprek zoveel mogelijk voert.

 

En dan komen we bij de andere vraag die ik stelde. Om dat gesprek te voeren, moet de raad van toezicht zich voortdurend (laten) informeren over wat de maatschappelijke omgeving van de onderwijsinstelling verstaat onder ‘goed onderwijs.’ Overigens niet om vervolgens dat als een soort boodschappenlijstje voor zoete koek aan te nemen.

Nee, de raad van toezicht moet zich rekenschap geven van de diversiteit die er bestaat als het gaat om opvattingen over goed onderwijs, iets waar de vertegenwoordigers van de Stichting Blikverruimers op hamerden. En vervolgens op een volwassen manier het gesprek daarover aangaan, volwassen in de betekenis die Gert Biesta er vanmiddag aan gaf. ‘Volwassenheid’ betekent in zijn opvatting, dat je weerstand kunt bieden aan de verleiding om alles te willen krijgen wat je wenst.

Dat volwassen gesprek zal de raad van toezicht met de buitenwereld moeten aangaan. Niet alles wat maatschappij en politiek van onderwijs verlangen, zal ze kunnen krijgen. En de raad van toezicht zal het gesprek met de bestuurder, en de organisatie aan moeten gaan: want niet alles wat bestuurder en de organisatie beogen, is wenselijk.

Als de raad van toezicht op die manier in gesprek is, dan zal het de maatschappij veel duidelijker worden wat de functie van het intern toezicht is. Daarmee winnen bestuur en toezicht aan legitimiteit. En hoe beter de raad van toezicht in staat is, om dat gesprek te voeren, hoe beter hij in staat is om de bestuurder te voeden met het juiste kader, om als onderwijsinstelling invulling te geven aan de specifieke opvatting over goed onderwijs die in de maatschappelijke omgeving bestaat.

Dat gesprek is overigens nooit klaar, het is een voortdurend heen-en-weer gaande dialoog. Dat maakt het werk van de intern toezichthouder zo boeiend, en zo belangrijk.

Hiermee wordt meteen ook duidelijk wat de omvang is van de verantwoordelijkheid van de raad van toezicht. Want de kwaliteit van de dialoog is volledig afhankelijk van de leden van de raad van toezicht zelf. Zij zullen het voorbeeld moeten geven in hoe je zo’n dialoog voert. En ook moeten laten zien hoe moeilijk dat soms is, hoe kwetsbaar. Het is niet voor de hand liggend om je twijfels en dilemma’s te bespreken. Het kan spannend zijn, om je te verantwoorden over een controversieel besluit.

Maar hoe beter je dat doet, hoe meer de raad van toezicht aan gezag zal winnen. Dan ben je namelijk pas echt transparant. En anderen in en om de organisatie zullen zich uitgenodigd voelen, ook open te zijn, en over hun dilemma’s en zorgen te spreken. Dan raak je pas echt goed geïnformeerd.

Toezichthouders zullen de eerste stap moeten zetten. De bal ligt bij ons, toezichthouders. Wie heeft de moed?

 

         

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.