Waar is de raad van toezicht?

In mijn vorige blog ging ik in op de rol die de raad van toezicht heeft in het aangaan van de dialoog met de maatschappelijke omgeving. Die is van belang, niet alleen om geïnformeerd te raken over wat daar speelt, maar ook om naar belanghebbenden te verantwoorden wat er in de (onderwijs)instelling gebeurt, waar de omgeving misschien nog niet van op de hoogte is. Of om bepaalde besluiten toe te lichten, als daarover onduidelijkheid bestaat. In die zin kan toezichthouden heel concreet en inhoudelijk werk zijn. Daar waar het soms, zelfs door toezichthouders zelf, als nogal abstract gezien wordt.
Dat betekent ook dat de vraag naar wat goed toezicht is, niet zozeer in modellen en structuren gezocht moet worden, en zelfs niet–al klinkt dat misschien paradoxaal uit mijn mond–in systemen, maar vooral in de vraag naar wat de inhoud van dat toezicht moet zijn. Daar wil ik een voorbeeld van geven.

Onderwijs2032

De afgelopen twee jaar vond er in de onderwijswereld een brede discussie plaats onder de noemer #Onderwijs2032. Staatssecretaris Dekker wilde weten wat de contouren zouden moeten zijn voor een nieuw curriculum, dat leerlingen goed zo voorbereiden op de maatschappij over 18 jaar, vandaar het gekozen jaartal 2032. Met die goede intenties werd na een jaar korte metten gemaakt door een vrij beperkte coalitie van ‘neo-trads’, bestaande uit leraren, journalisten en wetenschappers. Zij wisten het proces vrij effectief in de hoek van ‘staatspedagogiek’ en ‘anti-kennis’ te plaatsen. Toen de commissievoorzitter matig voorbereid bij een tv-debat dacht weg te kunnen komen met slechts enkele niet-inhoudelijke argumenten, was het lot van het proces bezegeld.

Dat kunnen we jammer vinden, maar het interessante vind ik, dat de ontwikkelingen die in het rapport van het Platform Onderwijs2032 werden beschreven, ondertussen gewoon doorgaan. De belangstelling voor thema’s als skills, persoonsvorming en Bildung is groter dan ooit. De integratie van kinderopvang en primair onderwijs, en alternatieven voor vroege selectie en de harde overgang tussen PO en VO lijken in een versnelling te komen. Het vmbo maakt buiten het zicht van de eerder genoemde coalitie (die zich vooral in havo/vwo-kringen begeven) de grootste vernieuwing door sinds zijn ontstaan in 1999. Leraren ontwikkelen samen alternatieven voor de huidige te smalle en pedagogisch weinig verantwoorde toetsmethoden. En publiceren hierover.

Onder de radar

Het kenmerk van deze ontwikkelingen is, dat ze grotendeels ‘onder de radar’ plaatsvinden. Buiten het zicht van het grote publiek, zelfs buiten dat van insiders als onderzoekers, beleidsmakers en –hate to say it– bestuurders en toezichthouders. Deze ontwikkelingen hebben nog een kenmerk. Namelijk dat ze niet centraal opgelegd zijn, maar primair voortkomen uit de behoefte van ouders, leraren en hun leerlingen. Vaak gesteund door de lokale (gemeentelijke) overheid. En dat zijn–toevallig!–ook de belangrijkste stakeholders waar toezichthouders zich op zouden moeten richten.

En daar hebben toezichthouders het de afgelopen jaren lelijk laten liggen. Juist hier kunnen ze een rol als ‘poort tussen wereld en onderwijsinstelling’ vervullen. Door de dialoog te voeren, over wat die belanghebbenden willen, en wat de onderwijsinstelling als mogelijkheden ziet. Niet om boodschappenlijstjes over te brengen, maar om de levensechte problemen en belangen van ouders, leraren en leerlingen te vertalen in criteria en voorwaarden voor het beleid van de bestuurder. En andersom, de initiatieven en besluiten van de bestuurder uit te leggen in gewone mensen-taal, zodat de omgeving meer zicht krijgt op wat er eigenlijk aan de ‘binnenkant’ van die instellingen allemaal gebeurt.

Betweters en vragenstellers

Begrijp me goed, het gaat me er niet om, dat toezichthouders bij onderwijsinstellingen allemaal onderwijsspecialisten worden. Liever niet, betweters hebben we al genoeg. Vragenstellers hebben we denk ik te weinig. Als toezichthouders in staat zijn om die rol te pakken: vragen stellen over en weer, tussen maatschappelijke omgeving en bestuurder, dan heeft het algemene onderwijsbelang er een belangrijke bondgenoot bij. Dan zal duidelijk worden, welke mooie ontwikkelingen er al plaatsvinden. En hoe leerlingen, ouders en leraren daarin samen aan zet zijn. En dat gesprek dus nooit afgekaart kan worden op een landelijk, algemeen niveau, maar altijd lokaal en regionaal gevoerd moet blijven worden. Aan toezichthouders de opdracht om het gesprek daar telkens weer terug te brengen.

Bij #Onderwijs2032 ging dat mis. Alle reden om het bij een dossier als Passend Onderwijs die rol wel goed op te pakken.

PS In Policy Governance-termen noemen we dat ‘ownership linkage’, maar daarover een andere keer meer 😉

         

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.