De vergoeding van de toezichthouder

De VTOI kwam op 27 januari 2017 met een handreiking voor de honorering van raden van toezicht. Dat was hoognodig, want het rommelt in onderwijsland. Sinds de wet Normering Topinkomens (WNT-2, in het jargon) in werking is gegaan in 2015, hebben een aantal raden van toezicht de mogelijkheden van die wet benut om hun eigen vergoeding te verhogen. Omdat in onderwijsbesturen voor PO en VO tot voor kort een onbezoldigde of zeer sober betaalde functie als toezichthouder de norm was, gaat het hier al gauw om een verhoging met tientallen procenten. In een enkel geval om een verdubbeling of zelfs nog meer. Dat vinden sommige bestuurders slecht uit te leggen, zowel intern in de organisatie, als extern, naar de omgeving. Om het verschil van inzicht te overbruggen, komt de VTOI nu dus met een nadere uitleg, maar het is de vraag of dat genoeg is.

Laat ik duidelijk zijn over mijn mening: ik vind dat deze handreiking tekort schiet, en wel om twee redenen. In de eerste plaats wegens het opzichtige gebrek aan maatschappelijke verantwoording dat een toezichthouder af zou moeten leggen over zijn honorering. En in de tweede plaats over de de mijns inziens misplaatste rolopvatting die uit de handreiking spreekt.

Maatschappelijke verantwoording

In de eerste plaats het gebrek aan maatschappelijke verantwoording. Toezichthouders zitten er niet namens zichzelf, maar namens de maatschappelijke omgeving. Dat betekent dat, in morele zin, de toezichthouder niet zelf bepaalt wat het goede is om te doen, en zelfs niet de wetgever (die stelt slechts algemene kaders), maar dat de toezichthouder zich zal moeten wenden tot de vertegenwoordigers van de directe maatschappelijke namens wie hij zijn taak uitvoert.
Ik doel hiermee op de groep betrokkenen, die moreel gezien de zeggenschap toekomt, over waar de organisatie voor staat: wat het belangrijkste doel zou moeten zijn, en wat kernwaarden zijn bij het streven daarnaar. Voor PO- en VO-scholen zijn dat doorgaans betrokken ouders. Die mogen bepalen wat zij goed onderwijs vinden voor hun kinderen. Dat verschilt van school tot school, en van plaats tot plaats.
Het gaat hier niet over een klant-leverancier relatie (‘zijn ouders tevreden over het onderwijs dat hun kinderen krijgen’), maar over waarden. Herkennen ouders in het beleid van de school de waarden die ze zelf ook belangrijk vinden in het leven, en die ze overgedragen zouden willen zien aan hun kinderen? Dat is geen gemakkelijk gesprek, maar wel noodzakelijk, omdat de raad van toezicht en het bestuur hier de waarden kunnen vinden, die nodig zijn om hun ‘morele kompas’ op af te stemmen.
En hoewel in grote lijnen er veel overeenstemming over deze waarden zal bestaan, zal ieder bestuur (inclusief intern toezicht) niettemin in een voortdurende dialoog met de omgeving telkens opnieuw de legitimiteit van zijn positie moeten zoeken en versterken. Want het gaat niet om de woorden op zich, maar om de betekenis die daar aan gegeven wordt in het onderlinge gesprek.

Belangenverstrengeling

Dat versterken van de eigen legitimiteit kan zoals gezegd alleen plaatsvinden in een dialoog van verantwoording en feedback. En hier gaat het mis met de VTOI-handreiking. Daarin wordt de legitimiteit van het besluit over de vergoeding van de raad van toezicht vrijwel uitsluitend gezocht in de wet (de WNT-2), en in het harde werk van de toezichthouder. Geen woord over de directe verantwoording die een raad van toezicht verschuldigd is aan de maatschappelijke omgeving. Geen woord over de waarden die daarbij centraal zouden moeten staan. Geen woord ook over de belangenverstrengeling die in de WNT-2 is ingebakken, doordat de honorering voor de toezichthouder is afgeleid van het salaris van de bestuurder. De raad van toezicht krijgt zo een direct belang bij het verhogen van het salaris van de bestuurder, omdat dat ruimte schept voor het verhogen van de eigen vergoeding.
Het is misschien ook wel te begrijpen. Want als je een goed gesprek over waarden wilt voeren, dan wordt dat lastig, als de maatschappelijke omgeving het sterk verhogen van de eigen vergoeding niet zo goed zou kunnen rijmen met die waarden. Dan stokt het gesprek wellicht. Dus dan kun je het maar beter vermijden. Maar de ervaring leert dat dat niet verstandig is, omdat je vroeger of later toch op die waarden aangesproken zal worden.

Takenplaatje

Ten tweede: de rolopvatting van de toezichthouder. In de handreiking wordt raden van toezicht aangeraden de redelijkheid van hun vergoeding te bepalen door uit te rekenen hoeveel tijd leden van de raad van toezicht aan hun taak besteden. Vervolgens wordt er wat gerekend met het salaris van de bestuurder en een jaartotaal voor een fulltime baan van 1659 uur.
Hier wordt het beschamend. Ik hoor wel eens hoe bestuurders en toezichthouders doorgaans praten over mensen die met het ‘takenplaatje’ en het maximum van 1659 uur bij hen komen om uit te leggen dat ze meer zouden moeten verdienen. En nu zou dit wel acceptabel zijn, als basis voor hun eigen honorering?
Het zijn van toezichthouder is geen baan. Het is evenmin een adviesklus. Het is een maatschappelijke verantwoordelijkheid. Net zoals het trainen van de F-jes dat is, mantelzorg, het vrijwillig besturen van de buurtbus of het lid zijn van het lokale bestuur van een politiek partij. Toevallig kunnen toezichthouders goed vergaderen, en kunnen anderen goed met voetbalpupillen omgaan of een bejaardensoos organiseren. Allemaal belangrijk maatschappelijk werk. Voor de een is een hogere vergoeding beschikbaar dan voor het andere, maar iedereen snapt dat het hier niet gaat om werk dat je voor geld doet.

Gelukszoekers

Een vergoeding voor de toezichthouder moet zo hoog zijn, dat het geen beletsel is, er een avond of een middag in de week voor vrij te maken.
Hij moet zo laag zijn, dat als je als toezichthouder iemand uit de organisatie spreekt, die vind dat-ie te weinig geld krijgt voor het werk dat-ie doet, dat je je dat kunt voorstellen, omdat dat ook voor jou geldt. En je je niet hoeft te schamen als zo iemand vraagt hoeveel jij eigenlijk krijgt als toezichthouder.
Een vergoeding voor de toezichthouder moet niet zo hoog zijn, dat het een rol gaat spelen in de kritische vragen die je stelt. De uiterste consequentie van je onafhankelijke rol moet altijd kunnen zijn, dat je je positie als toezichthouder opgeeft. Zonder dat je dan nadenkt of je de volgende vakantie nog wel kunt betalen. Zodra dat een overweging wordt in de vragen die je stelt, is de vergoeding te hoog.
Een vergoeding voor de toezichthouder moet laag genoeg zijn, om te voorkomen dat het najagen van een baan als toezichthouder een aantrekkelijk perspectief wordt voor cv-jagers of gelukszoekers die hun vroegpensioen of zzp-inkomsten willen aanvullen, en die het niet werkelijk om de maatschappelijke bijdrage te doen is.
Het idee dat toezichthouders hun werk alleen goed doen, als ze daar dik voor betaald worden, is een misvatting. Toezichthouders zouden zich beledigd moeten voelen. De motivatie van goede toezichthouders voor hun taak is maatschappelijk gemotiveerd, niet financieel. Dat zou het uitgangspunt moeten zijn. Toezichthouders die zich bewust zijn van hun voorbeeldrol in de maatschappij, denken wel drie keer na voordat ze hun vergoeding verhogen.

Full disclosure: als toezichthouder bij de stichting St Josephscholen in Nijmegen ontvang ik 250 euro onkostenvergoeding per jaar, met kerst een paar flessen wijn en jaarlijks een uitnodiging voor het bestuursdiner.
         

2 gedachten over “De vergoeding van de toezichthouder

  1. Prima verhaal Hartger. Wel zou je je ‘full disclosure’ moeten aanvullen met het gegeven dat het het formeel en feitelijk wat uitmaakt of je in een one tier of two tier RvT zit.

    1. Dank je Jozef. En misschien een domme vraag, maar wat maakt het voor de honorering uit of het om een one tier of two tier bestuur gaat? En het gaat in mijn geval overigens om een one tier bestuur.

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.