Waarom toezichthouders iets moeten vinden van schoolvakanties

Vorige week neusde ik wat rond in de Staat van het Onderwijs en de verwante rapporten die sinds een paar jaar uitkomen, zoals de Staat van de Ouder. Daarin trof ik een voor mij interessant gegeven, namelijk dat bijna de helft van de ouders een meer flexibele vakantieregeling wil. In 2010 wedde ik met een collega dat in 2020 de vaste schoolvakanties afgeschaft zou zijn. Het is inmiddels 2017, dus we schieten al aardig op, maar als nu de helft van de ouders al zo ver is, zouden we wel eens dicht bij het omslagpunt kunnen zijn. Dat stukje uit de Staat van de Ouder zette ik daarom op LinkedIn. Tot mijn stomme verbazing hadden binnen een paar dagen 10.000 mensen dat bekeken.
Die discussie over voors en tegens van de vaste schoolvakantie ga ik hier niet opnieuw voeren, zie daarvoor eerdere stukjes op dit weblog, zoals deze en deze. Waar het mij hier om gaat, is dat ik vind dat toezichthouders daar zelf ook iets van moeten vinden. 

En waarom dan wel? Daarvoor moet ik even terug naar 7 april. Toen hield ik op het VTOI-congres een praatje over ‘Wat onderwijs kan leren van dieselgate.’ (De dia’s bij dat praatje vindt u overigens hier). Dieselgate moet ik misschien even uitleggen. In 2015 bleek dat Volkswagen stelselmatig de testen op dieseluitstoot had gefopt. Dat kwam uit, Volkswagen hangt nu miljardenboetes boven het hoofd, en auto’s zullen moeten worden aangepast. De vraag is echter of dat lukt, en waarschijnlijk wordt nu pas echt duidelijk dat de conventionele verbrandingsmotor niet kan voldoen aan de steeds strengere emissie-eisen. In veel Duitse steden zijn dieselauto’s überhaupt niet meer welkom en er zijn in Duitsland serieuze plannen om de verbrandingsmotor (dus ook benzinemotoren) in 2030 in zijn geheel te verbieden. Dat is al over 13 jaar.
Volkswagen gooide daarom het roer drastisch om: zo’n slordige 12 miljard onderzoeksgeld per jaar gaan nu naar elektrische auto’s en andere alternatieve vervoersoplossingen. De vraag is of het op tijd is. Niet alleen verovert Elon Musk ondertussen de wereld met zijn Tesla, giganten als Apple en Google zijn hard bezig met het ontwikkelen van autonome elektrische auto’s die het gangbare model van autogebruik en -eigendom op de kop zullen zetten. Om een indruk te geven: Apple kan alleen al met z’n spaargeld heel Volkswagen, het grootste autobedrijf ter wereld, ongeveer 4 keer kopen. Logisch dat men in Wolfsburg koortsachtig zoekt naar de nooduitgang.

Slapende toezichthouders?

Wat heeft dit alles met onderwijs te maken? Misschien niet zoveel, maar wel met toezicht. Want de vraag is natuurlijk of de toezichthouders van Volkswagen al die tijd had zitten slapen. Tijdens de workshop op 7 april vroeg ik aan de deelnemers wat zij vonden dat de verantwoordelijkheid van de toezichthouders was. Daar kwamen antwoorden op als: zorgen dat er niet gesjoemeld wordt, een visie op de toekomst hebben, voeling houden met wat er van het bedrijf verwacht wordt, tijdig risico’s op lange termijn signaleren.
Klinkt bekend, niet? Want ook in het onderwijs hebben we de neiging ons blind te staren op cijfers–en er zonodig wat mee te sjoemelen, zonder naar het onderliggende systeem te kijken. Over waartoe onderwijs nu precies dient, en wat de betekenis ervan is voor de maatschappij, meer dan het afleveren van klaargestoomde werknemers van de BV Nederland, hebben we het nauwelijks. De vraag voor mij nu, is of toezichthouders in het onderwijs voldoende visie hebben, en de echte langetermijnrisico’s wel voldoende in de gaten hebben.

Een systeem op z’n eind

De cijfers van de testbanken kloppen namelijk al een tijdje niet met de werkelijkheid, maar niemand lijkt het op te merken. We houden vast aan een manier van onderwijs doen, met financieringsmodellen, jaarklassystemen en indicatoren voor resultaat, die de maatschappelijke, wetenschappelijke en technologische ontwikkelingen van de laatste 30 jaar ontkennen. Een paar voorbeelden?
De lerarensalarissen zijn laag, met name in PO, en het aantal lesuren van Nederlandse leraren behoort tot de hoogste ter wereld. De normvergoeding van de overheid om een modern schoolgebouw neer te zetten, is niet toereikend. De motie-Van Meenen, waardoor leraren 20% minder les hoeven te geven, komt daar nog eens bovenop. Tegelijkertijd heeft vrijwel het hele land te maken met krimp wat betreft de leerlingenaantallen–de belangrijkste en voor veel scholen enige bron van inkomsten. Hogere verwachte uitgaven, met lagere verwachte inkomsten: logisch dat schoolbesturen sparen om voorbereid te zijn op toekomstige (gedwongen?) investeringen. Jammer van het geld is het wel.
En ook blijkt Passend Onderwijs blijkt meer in te houden dan een “Operatie Muntenschuiven.” Samenwerkingsverbanden waar visieloos bestaande budgetten worden verdeeld, lopen tegen de grenzen op, want er is natuurlijk te weinig geld. Gespecialiseerd onderwijs verdwijnt, zonder dat op reguliere scholen de expertise op peil is gebracht. Duizenden leerlingen zitten thuis. Het geld bereikt ondertussen niet de leraren, de professionals die met de kinderen moeten werken.
En dan nog die vakanties. Het systeem waarin we alle lessen in 40 weken van zo’n 28 lesuren met 30 leerlingen per lokaal proppen, is al langer niet meer houdbaar. Het zorgt voor nodeloze pieken en onevenredig verdeelde werkdruk voor leraren en leerlingen. Schoolgebouwen staan de helft van de tijd leeg, en knappen op andere momenten uit hun voegen. Ouders en leerlingen verwachten, door maatschappelijke en technologische ontwikkelingen, meer flexibiliteit. Leraren zelf zoeken vruchteloos naar mogelijkheden voor maatwerk. Scholen waar een ’50 weken per jaar open’-regime wordt aangehouden, hebben ondertussen aan belangstelling geen gebrek.

Visie gevraagd

En daarom moeten toezichthouders iets vinden van schoolvakanties–en liever nog van onderwijs in algemene zin. Want als het bestaande systeem tegen zijn grenzen aanloopt, dan zijn de toezichthouders degenen die dat moeten signaleren. En als 10.000 mensen (18.000 inmiddels) geïnteresseerd zijn in flexibele schoolvakanties, dan leeft daar blijkbaar wat.
Toezichthouders zijn er om, als de huidige zekerheden schijnzekerheden blijken te zijn, tijdig alternatieven aan te reiken voor nieuwe zekerheden. En dat vraagt een visie. Niet om die visie op te leggen, maar om te inspireren en alternatieven te bieden waar leraren en andere professionals uiteindelijk zelf een keuze in maken.
En toezichthouders zijn er, om die professionals te steunen bij de onzekerheid die die nieuwe keuzes gaat opleveren. Want pasklare antwoorden zijn er niet, helaas. Wat wel duidelijk is, is dat onderwijsorganisaties die zich richten op controle, op ‘gaming the system’ om te overleven in de oude manier van doen, uiteindelijk tegen de muur zullen lopen.
Misschien krijg ik ongelijk met mijn schoolvakanties-voorspelling en bestaan in 2020 de vaste vakanties nog. Maar laat ik dan een nieuwe voorspelling doen. Alleen die onderwijsorganisaties zullen overleven, waar toezichthouders vanuit een visie hun taak vervullen. Die onzekerheid accepteren en het omgaan daarmee in handen durven leggen van leraren, die samen met leerlingen en ouders het nieuwe systeem gaan ontwikkelen. Daarvoor hebben ze toezichthouders nodig (en bestuurders!) die voeling met de samenleving hebben, en maatschappelijke ontwikkelingen weten te vertalen in inspirerende vragen en bemoediging van professionals om noodzakelijke initiatieven te nemen.
Organisaties waar de toezichthouder–kort door de bocht gesteld–jaarlijks de toetsresultaten naloopt en het geld natelt, die zullen over 10 jaar plotseling de aansluiting kwijt blijken te zijn.
Waar kiest u voor?
         

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.