Vandaag: 100 jaar Onderwijsvrijheid

Vandaag vieren we 100 jaar stemrecht (voor de mannen dan). Maar ook vieren we 100 jaar onderwijsvrijheid. Want dat was in 1917 de uitruil: de liberalen (en socialisten) kregen algemeen stemrecht, de confessionelen gelijkstelling van het bijzonder onderwijs. Grote voorvechter hiervan was Abraham Kuyper, voorman van de protestanten, terwijl je, honderd jaar later, kunt beargumenteren dat het katholieke volksdeel er het meest van profiteerde: de emancipatieslag die het zuidelijk landsdeel heeft doorgemaakt is ongekend. Twee universiteiten (Nijmegen en Tilburg), en twee van de grootste onderwijsbesturen in VO van het land (OMO en Carmel) hebben direct hun bestaan aan deze omwenteling te danken.

De invloed van de ‘gelijkstelling’ is nauwelijks te onderschatten en het is juist daarom dat ik het zo vreemd vind dat er (buiten confessionele kring) nauwelijks aandacht aan wordt besteed, en sterker: dat het Nederlandse bestuursmodel meer dan ooit onder druk staat. Naar mijn idee moeten we dat bestuursmodel juist behouden–en waar nodig verder ontwikkelen.

Doordat de overheid 100 jaar geleden de ruimte gaf aan maatschappelijke groepen om scholen te stichten naar eigen richting, de financiering garandeerde (bij een minimum aantal leerlingen), en zich verder slechts op ruime criteria van ‘deugdelijkheid’ richtte wat betreft de kwaliteit, heeft een enorme diversiteit aan scholen opgeleverd. En niet alleen dat, het zorgde er ook voor, dat mensen zelf verantwoordelijkheid namen voor goed onderwijs: ouders vormden het bestuur, kleine teams van leraren en directeuren vormden het onderwijs. Daar hoefde de overheid zich verder niet mee te bemoeien. De autonomie die schoolbesturen nu hebben, is dus niet iets van 10 of 20 jaar geleden, maar 100 jaar geleden ‘ingebakken’ in ons bestuurlijk stelsel.

Fast forward 100 jaar later: door allerlei ontwikkelingen (secularisatie, economisering, globalisering) zijn de kleine, lokaal verankerde schoolbesturen in talloze fusieprocessen grote organisaties geworden. De directe verbindingen met religieuze groepen (katholieke ordes, kerkbesturen) zijn vrijwel verdwenen. Van sommige schoolbesturen is op het eerste gezicht niet eens meer af te lezen of ze nog een christelijke denominatie hebben. Niettemin, als je beter kijkt, zijn veel schoolbesturen nog steeds verankerd, al is het dan tegenwoordig regionaal in plaats van lokaal. De diversiteit is er ook nog steeds en krijgt steeds opnieuw vorm, nu misschien minder op grond van ‘verticale’ religieuze noties, en meer op ‘horizontale’ maatschappelijke waarden als toegankelijkheid, inclusiviteit, ondernemerschap, vrijheid en verantwoordelijkheid.

Maar vertel ik niet een te optimistisch verhaal? Hoe zit het dan met de bestuurlijke drukte? Is die niet enorm toegenomen? In zeker opzicht wel. In een ander opzicht is die ook enorm afgenomen. Er zitten geen hordes ambtenaren meer in Den Haag Gele Katernen uit te typen. De uitgebreide structuur van Onderwijsbegeleidingsdiensten en Pedagogisch Centra, waar zo’n 15 jaar geleden nog tientallen miljoenen overheidsgeld mee gemoeid waren, is vrijwel verdwenen.
En veel van de structuren waar scholen mee te maken hebben, staan onder directe invloed van schoolbesturen en leraren: alle vakverenigingen en vakbonden bijvoorbeeld. Maar ook de samenwerkingsverbanden Passend Onderwijs die erbij zijn gekomen. Toegegeven, daar schort nog van alles aan, maar ik kom regelmatig bij besturen en ik merk de laatste jaren wel degelijk een kentering: het gesprek gaat echt meer over onderwijsinhoud en hoe alle leerlingen beter bereikt kunnen worden. Nog steeds heeft de overheid daar maar weinig directe invloed op. En dat is maar goed ook, want dat past niet bij de onderwijscultuur van ons land: we doen het liever zelf.

Dat ‘zelf doen’ heeft ons veel gebracht. Het aantal vrouwen dat een academische opleiding afrondt, 50 jaar geleden nog slechts een piepkleine minderheid, is nu hoger dan het aantal mannen. Waar 50 jaar geleden het overgrote deel van de leerling op hun 16e al aan het werk was, daar is nu een sluitend systeem van onderwijs tot het 18 jaar, en stroomt de meerderheid uit met een startkwalificatie. Dat zorgt voor allerlei vraagstukken, omdat de leerlingpopulatie niet alleen groter is geworden, maar ook veel diverser in achtergrond en onderwijsbehoefte.

Die ontwikkeling zie dan ook terug. Waar havo en vwo er op het eerste gezicht nog hetzelfde uitzien als 30-40 jaar geleden, daar is het beroepsonderwijs onherkenbaar veranderd. En weer: ook daar schort nog van alles aan, maar dagelijks wordt er aan gewerkt om dit te verbeteren. Niet omdat de overheid het zegt, sterker, overheid en beleid lopen eerder in de weg, maar omdat lokaal leraren, leerlingen (studenten) en de maatschappelijke omgeving in vrijheid tot nieuwe initiatieven komen.

Laten we ons model koesteren. En iedere dag verantwoordelijkheid nemen om het goede te doen voor de toekomst van de leerlingen.

         

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.