Ralph Hamers en de vergoeding van de raad van toezicht

Gisteren was ik op een conferentie van de PO-raad over het samenspel tussen bestuur en toezicht (in het prachtige kasteeltje Groot-Buggenum bij Grathem). Bij de borrel kwam daar het gesprek over de vergoeding van de toezichthouder. Dat is een thema waar ik af en toe pijnlijke verhalen over hoor. Dat zit me dwars, want ze ondermijnen het gezag van bestuur en toezicht. Toezichthouders bij uitstek zouden dat door moeten hebben.
Ik moest denken aan de casus-ING en wat we kunnen leren van de soap rond het salaris van Ralph Hamers. Ik denk het volgende. Er zijn twee vormen van normering voor de vergoeding van bestuur en toezicht. De ene is de formele normering, vastgelegd in regels en protocollen. Voor het onderwijs zijn dat de richtlijnen van de VTOI. De andere is de morele normering, die verbonden is met de waarden die leven in de maatschappelijke context van de organisatie. De richtlijnen van de VTOI wijzen hier overigens ook nadrukkelijk op, dat moet gezegd.
Jeroen van der Veer, voorzitter van de raad van commissarissen van ING, zocht de maatschappelijke context in internationaal verband. ING is in die redenering een internationaal bedrijf, dat een Europese ‘speler’ is, of wil zijn. ‘Champions League, geen Jupiler League’–de voetbalmetaforen zijn onvermijdelijk blijkbaar in dit verband.
Van der Veer en Hamers werden er tot hun onaangename verrassing op gewezen dat de maatschappelijke context van ING nog steeds Nederland is. En dat ze voor de normen voor de beloning zich dus te voegen hebben naar wat er naar Nederlandse waarden acceptabel wordt geacht. Dat kun je niet leuk vinden, maar dat is de realiteit. Een organisatie die zich onttrekt aan haar maatschappelijke context, heeft geen bestaansrecht.

En voor het onderwijs?

Voor het onderwijs betekent dat, dat ook toezichthouders zich voor vergoedingen, zowel van de bestuurder als voor zichzelf, rekening hebben te houden met de maatschappelijke context. Dat is voor ieder bestuur anders: het gaat om een lokale context, soms nog gekleurd door een bepaalde denominatie.
Dat betekent dat wat de omgeving van een klein zelfstandig gymnasium in een rijke gemeente acceptabel vindt, sterk kan afwijken van wat de omgeving van een verzelfstandigd openbaar schoolbestuur in een economisch wat minder sterke regio acceptabel acht. De WNT-normen uit de VTOI-richtlijnen zijn dus niet universeel en objectief toepasbaar. In bijna alle gevallen zullen (anno 2018) belanghebbenden die bedragen (veel) te hoog vinden.
Nogmaals: dat kun je niet leuk vinden, maar dat zijn de krachten waar je mee te maken hebt.
Nog wat sterker gezegd: dat zijn de krachten waar je als raad van toezicht een heel gevoelige antenne voor moet hebben. Niet omdat precies uit te voeren wat de omgeving (als een soort ‘achterban’) zou willen. Maar wel die waarden te wegen, naast je eigen deskundigheid, ervaring en verantwoordelijkheidsgevoel, om vervolgens in wijsheid te besluiten wat het goede is om te doen. En of je het goede gedaan hebt, daarvoor is de toets gelegen in de verantwoording naar de maatschappelijke omgeving.
Simpel gezegd: is (bijvoorbeeld) de GMR akkoord met jullie vergoeding? Herkennen ze in procesgang en hoogte van de vergoeding de aspecten die zij van belang vinden? Wat zou de reactie zijn als een journalist in de plaatselijke krant schrijft over de vergoedingen? Of hoop je dat niemand het verstopte hoekje op de website vindt, waar je de verplichte vermelding van de vergoedingen verborgen hebt?
Als dat laatste het geval is, is een herziening van de honorering misschien een goed idee. Ga daarover vooral in gesprek, bijvoorbeeld met de GMR, om te peilen wat zij een acceptabele vergoeding zouden vinden. Als je dat pro-actief doet, vanuit een open houding, dan zul je merken dat de GMR best begrijpt dat toezichthouders een vergoeding nodig hebben voor hun werk. Als je het gesprek met de GMR mijdt, of er gewapend met je eigen argumenten ingaat, dan zul je een geharnaste tegenstander treffen.
Wees in zo’n gesprek het voorbeeld voor hoe je heikele thema’s binnen de organisatie bespreekt. De cultuur van de organisatie is zo sterk als het voorbeeld dat door ‘de top’ gegeven wordt.

De raad als risico

Een andere overweging om te bepalen of de hoogte van de vergoeding adequaat is, is de hoeveelheid tijd en energie die gemoeid is met de vaststellen en bespreking ervan, zowel van de raad van toezicht als de bestuurder. Als er drie vergaderingen overheen gaan, omdat het zo lastig ligt, of als de bestuurder aangeeft dat de vastgestelde hoogte tot gedoe leidt, of gaat leiden, omdat hij of zij er kritische vragen over krijgt, dan werkt de vergoeding tegen je als toezichthouder.
Het is de verantwoordelijkheid van de raad van toezicht om ervoor te zorgen dat de bestuurder over alle voorwaarden beschikt om zijn of haar taak zo goed mogelijk te kunnen doen. Als beleid van de raad van toezicht zelf voor onrust en afleiding zorgt, dan is dat niet in het belang van de organisatie. Terwijl de raad van toezicht scherp moet opletten op mogelijke risico’s, vormt ze op dat moment zelf een risico voor de organisatie. Dat moet je niet willen.
Overigens is er niets mis met de Jupiler League. NEC-De Graafschap belooft een mooie pot voetbal te worden komende vrijdag.
PS Ik schreef al eerder over dit thema: lees het hier en hier terug.
Update: in een eerdere versie van dit bericht verwees ik naar een verouderd document met VTOI-richtlijnen. De nieuwste, waar ik nu naar verwijs, zijn van november 2017
         

Geef een reactie

Time limit is exhausted. Please reload CAPTCHA.

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.