This page was exported from De Professionele Dialoog [ https://www.hartgerwassink.nl ]
Export date: Mon Jul 22 5:45:15 2019 / +0200 GMT

Weak ties, strong core: intern toezicht in de netwerksamenleving




Onlangs ben ik gevraagd om binnenkort een inleiding te houden over toezicht in de netwerksamenleving. Ik moest even wennen aan dat thema, eerlijk gezegd. Want wat is de netwerksamenleving nu eigenlijk? Toch intrigeerde het me. Dus ben ik erin ingedoken en kwam tot een aantal interessante aanknopingspunten voor de (nieuwe) rol van intern toezicht. Die zal meer waardegeoriënteerd moeten zijn, meer vanuit eigen kracht uit te gaan. Dat is niet verrassend wellicht. Wat me zelf wel verraste, is dat dat nodig is, om van daaruit juist meer diverse en gevarieerde samenwerkingen aan te gaan: weak ties, strong core.

Terug naar 1968

Als het gaat om het ontstaan van de netwerksamenleving, zijn er volgens Thomas Friedman drie jaartallen relevant: 1968, 1989 en 1995. De studentenprotesten van mei 1968 staan symbool voor de start van de afbraak van de oude ‘verticale' zuilen, en het bijbehorende vanzelfsprekende gezag. Kerk, overheid en wetenschap (en ook onderwijs) hadden tot dan toe het monopolie op morele kwesties en konden deze ‘verticaal' opleggen. Omdat de leraar, agent of pastoor het zei, was het waar. Gelukkig zijn we daar vanaf, want het zorgde voor veel beperkingen.

In Nederland waren de jaren '60 het toppunt van de verzuiling: we deden alles binnen onze eigen ideologische richting: protestant, katholiek of socialistisch. Schoolkeuze, tot aan de universiteit toe, werd bepaald door het geloof of de politieke overtuiging van je ouders. Ook weer: gelukkig zijn we daar vanaf. De andere kant van de ontzuiling is wel, dat we nu een gezamenlijke set van waarden missen. En de waarden die we nog samen koesteren, hebben lang niet voor iedereen dezelfde betekenis. Nu de verticale moraliteit verdwenen is, zijn we ertoe veroordeeld, zoals Harry Kunneman dat formuleert, om samen telkens opnieuw een horizontale moraliteit te ontwikkelen. In onderlinge dialoog, als gelijkwaardige mensen, zullen we moeten bepalen wat voor ons van waarde is, als het gaat om goed samenleven. En dus ook als het gaat om goed onderwijs.

Tweede halte: 1989

De val van de Berlijnse muur in 1989 staat symbool voor de ‘overwinning' van het westerse model van een liberale democratie en een economie die wordt gestuurd op basis van marktdenken, waarbij de overheid alleen ingrijpt indien nodig. Door Francis Fukuyama werd dat moment aanvankelijk ‘Het einde van de geschiedenis' gedoopt, hoewel hij daar later deels op terugkwam. De periode van relatieve wereldvrede en omarming van economische groei als belangrijkste doel leidde ertoe dat wereldwijd verdragen werden gesloten die vrijer verkeer van goederen en mensen mogelijk maakte. Grenzen werden minder belangrijk en er ontstond een nieuwe klasse van ‘kosmopolieten' die overal ter wereld konden wonen en werken.  

Derde jaartal: 1995

Tot slot is het jaar 1995 van belang. Dit was het jaar waarin het bedrijf Netscape naar de beurs ging. Netscape was de eerste internetbrowser, die (op basis van het http-protocol, eerder uitgevonden door Tim Berners-Lee) het mogelijk maakte om op je beeldscherm via internet mooi vormgegeven teksten en plaatjes te zien, die ergens anders op een server stonden. (Voor sommigen misschien nauwelijks voor te stellen: daarvoor was er slechts bestandsuitwisseling mogelijk via commando's die je op een zwart scherm intypte.) Dat maakte het mogelijk real-time informatie wereldwijd te delen, met (zo zou blijken) verstrekkende gevolgen voor nieuwsvoorziening, productieprocessen, handels- en toeristenstromen. Dit is misschien wel de meest zichtbare variant van de netwerksamenleving. Niet alleen omdat internet van zichzelf een netwerk is, maar ook omdat we er aan gewend zijn geraakt dat vrijwel alle producten en diensten waar we mee te maken hebben, in wereldomspannende netwerken worden gemaakt.

Vloeibare samenleving

Deze ontwikkelingen gaven ongekende nieuwe mogelijkheden, maar brachten ook nadelen met zich mee. Ik stipte al aan, dat het verminderen van de invloed van kerk en politieke partij zorgde voor een gebrek aan houvast op moreel gebied. Als ieder z'n eigen normen mag stellen, wat delen we dan nog met elkaar, wat we van belang vinden? Wie mag een ander dan nog op vermeend ‘verkeerd' gedrag aanspreken? Deze ‘vloeibaarheid' van de samenleving leidt tot toenemende onzekerheid en zelfs angst voor de ander en het andere, zoals de Pools-Britse socioloog Zygmunt Bauman analyseerde.

Ten tweede, doordat we online overal alles kunnen halen, is het directe lokale contact niet meer vanzelfsprekend. Dat is niet alleen zichtbaar in de woonkamer (waar iedereen naast elkaar op de bank op z'n eigen schermpje kijkt, met z'n eigen koptelefoon op), maar ook in het dorpsleven. Zie bijvoorbeeld dit portret van het Brabantse dorp St. Hubert, waar mensen elkaar niet meer op straat tegenkomen, maar bij de Aldi, een dorp verderop. We moeten gewoon menselijk contact weer organiseren.

Ten derde heeft de ‘overwinning' van het neoliberale denken ervoor gezorgd, zoals Paul Verhaeghe in zijn boek ‘Identiteit' analyseerde, dat de facto er een de nieuwe ideologie ontstond. Want hoewel we denken dat de moderne liberale democratie en economie neutraal zijn, liet hij zien dat er wel degelijk ook waarden aan ten grondslag liggen: die van winnen, presteren, scoren, steeds beter worden. Daardoor, zo betoogt Verhaeghe, raken we collectief gestresst en zelfs overspannen. We kunnen nú overal voor kiezen, en dat betekent dat we voelen dat we nú móeten kiezen. En als we de verkeerde keuzes maken, is het onze eigen schuld. We hadden immers beter kunnen weten?

Samenvattend: de netwerksamenleving heeft ons ongekende vrijheid en mogelijkheden tot individuele ontplooiing en ontwikkeling gebracht. Tegelijk heeft het gezorgd voor een vermindering van houvast. Waarden zijn tegelijk diffuser geworden, minder scherp, en de betekenissen die mensen eraan geven zijn veelkleuriger en dynamisch. 

Afscheid van de zuilen

Specifiek voor het onderwijs betekent de netwerksamenleving in mijn ogen twee dingen. In de eerste plaats heeft het verstrekkende gevolgen dat we onderwijs niet meer volgens onze eigen zuil hoeven te organiseren. Wat overigens nog niet strookt met de praktijk: de oude zuilen katholiek, protestant en openbaar staan in het onderwijs nog fier overeind. Toch hebben de zuilen in hun oorspronkelijke betekenis voor de meeste mensen verloren, en we zullen daarom nieuwe verbanden moeten zoeken. Dat biedt ongelooflijk veel kansen voor samenwerkingen, over de grenzen van de (oude) zuilen en sectoren heen. Dat is ook te zien.

Er is bijvoorbeeld geen PO-bestuur dat niet structureel samenwerkt met kinderopvang. Er is geen vmbo dat niet samenwerkt met het bedrijfsleven (zo ontdekte ik, toen ik ernaar vroeg op LinkedIn). Het 10-14 onderwijs is een officieel speerpunt in het kabinetsbeleid. Wat ook zichtbaar is, is dat scholen steeds meer en gevarieerde samenwerkingen aan gaan. Je bent niet alleen maar meer ‘technasium' of ‘cultuurprofielschool', maar er is samenwerking met een lokale universiteit of hogeschool, of zelfs met het buitenland. Alles is mogelijk, deels vanwege de (neoliberale) drang van scholen om zich te onderscheiden, deels omdat leraren en ouders zelf nu eenmaal veel meer verbindingen hebben in de wereld en zich dus ook veel meer mogelijkheden voordoen.

Waarden als houvast in samenwerking

Ten tweede betekent de netwerksamenleving dat de oorspronkelijke waarden die onze gezamenlijke opvatting van ‘goed onderwijs' schraagden – binnen de zuil, dat wel – niet langer houvast bieden. We moeten daarom telkens opnieuw, horizontaal, in gesprek over de onderliggende waarden voor wat we ‘goed onderwijs' vinden. En waarom we (ouders, leraren, samenwerkingspartners) bij elkaar komen in deze (school)organisatie. En dat is moeilijk, juist omdat ‘gewoon' dagelijks contact tussen mensen uit verschillende bevolkingsgroepen niet vanzelf meer ontstaat. Dat gesprek moeten we dus gericht organiseren.

Het interessante is, dat ook dit zichtbaar is in de samenwerkingsrelaties van scholen. Toen ik vroeg wat ervoor zorgt dat samenwerking een duurzaam succes wordt, kwamen er reacties die verwezen naar het uitgaan van een gezamenlijke maatschappelijke verantwoordelijkheid, en een gedeelde visie. Dat is tegelijk heel wezenlijk én heel moeilijk. Ik kom daar straks op terug.

Nieuwe generatie: waardecreatie

Er is nog een derde component aan de netwerksamenleving, die ook met waarden te maken heeft. De nieuwe generatie, generaliserend gezegd, heeft genoeg van het neoliberale denken. Zij zijn gericht op ‘waardecreatie' en minder op traditionele hiërarchie en een succesvolle carrière binnen de organisatie. Zij denken en werken ‘transversaal' zoals Patrick Kenis dat noemt: binnen en buiten de organisatie zoeken ze naar zinvolle verbanden, om resultaten te bereiken, die ertoe doen.

Maar dan moeten ze wel weten waar ze voor willen gaan, om het eens populair te zeggen. Dat geeft een dubbele opdracht aan het onderwijs. Scholen als organisaties zullen de ruimte moeten geven aan (jonge) leraren om het onderwijs te realiseren, dat voor hun van waarde is. En het onderwijs (en als we Jan Bransen volgen, vooral het voortgezet onderwijs) zal leerlingen moeten helpen zich persoonlijk te vormen, zodat ze ‘de rol leren spelen' die bij hun past. Ook hier zie je fascinerende ontwikkelingen, zoals het Practoraat Brede Vorming van ROC Friese Poort. 

Intern toezicht: brandpunt van de waardendialoog

Wat betekent dit alles nu voor intern toezicht? De crux zit in het vinden van een balans tussen een diversiteit aan vele ‘zwakke' verbindingen (in tegenstelling tot de beperkte, maar sterke verbanden in de vroegere zuil) en het behouden van een eigen sterke kern. Want als door alle ontwikkelingen er steeds meer mogelijkheden zijn voor samenwerking, wordt het steeds belangrijker te bepalen welke mogelijkheden voor ons, deze school, deze organisatie, het meest waardevol zijn. Daarvoor is het belangrijk om over waarden te kunnen praten, en vooral met verschillen in waarden en hun betekenis om te kunnen gaan. Dat is iets dat steeds moeilijker gevonden wordt: de kleinste meningsverschillen leiden in het huidige publieke debat al gauw tot ernstige conflicten.

In het opnieuw leren voeren van de waardendialoog zullen bestuur en toezicht voor moeten gaan. De diversiteit aan waarden, en de potentieel conflictueuze verschillen in betekenis uit de omgeving (en de organisatie) komen via het intern toezicht bij elkaar aan de bestuurstafel. Daar zullen toezichthouders, samen met hun bestuurders, moeten laten zien dat ze in staat zijn die verschillen uit te houden, te bespreken en tot nieuwe (horizontale) gezamenlijkheid te komen. 

Die dialoog is feitelijk niet meer dan een gewoon goed gesprek, zoals we dat vroeger misschien vaker voerden, in zaaltjes rondom kerk en politiek. Maar tegenwoordig dus niet meer, en daarom heeft dat dus bewuste aandacht nodig. Het zal niet eenvoudig zijn, maar wel noodzakelijk, omdat zo de ankerpunten ontstaan, die ruimte en richting kunnen geven aan de initiatieven tot samenwerking die de professionals ontplooien. Hoe sterker de kern, hoe beter de organisatie zal kunnen navigeren in de zee aan wisselende, variërende netwerkverbindingen.

Met andere woorden: weak ties, strong core.

Post date: 2019-02-26 15:00:26
Post date GMT: 2019-02-26 13:00:26
Post modified date: 2019-02-26 15:34:44
Post modified date GMT: 2019-02-26 13:34:44
Powered by [ Universal Post Manager ] plugin. HTML saving format developed by gVectors Team www.gVectors.com